Verdwaald in het rijk der zinnen

Zonen van beroemde vaders hebben het niet makkelijk. Voor de buitenwacht beperkt hun identiteit zich al snel tot het zoon-zijn, en het is al helemaal de goden verzoeken om je als ‘zoon van’ op hetzelfde terrein te begeven waar je verwekker glorieert. In de Franse literatuur zijn er niettemin twee van dergelijke zonen die dat met succes hebben aangedurfd: Alexandre Dumas fils en Crébillon fils. Van de een verscheen onlangs de zoveelste Nederlandse (her)uitgave van De dame met de camelia’s, van de ander is na meer dan tweeënhalve eeuw voor het eerst Les Égarements du coeur et de l’esprit, zijn bekendste roman, vertaald.

Doolhof der liefde, zoals de Nederlandse titel luidt, verscheen van 1736 tot 1738 in drie afleveringen. Het is het verhaal van de naïeve jonge edelman Meilcourt die zijn intrede doet in wat zo mooi de ‘grote wereld’ heet, namelijk het miniwereldje van de high society, waarin hij door zijn afkomst van nature thuishoort. Na de vroege dood van zijn vader heeft zijn moeder hem een eenvoudige opvoeding gegeven, maar desondanks snakt hij naar werelds vertier, vooral naar vrouwelijk schoon.

Het is een beginsituatie die veel romans na Crébillon zullen hebben: verlegen jongeman van stand zoekt vrouw om te veroveren. Hoe fataal zoiets kan aflopen, heeft Benjamin Constant laten zien met Adolphe, maar dan zijn we alweer tachtig jaar verder. Bij Crébillon houdt iedereen zich nog braaf aan de spelregels: twee oudere vrouwen dienen zich aan om de jonge Meilcourt ‘in de wereld te zetten’, een oude rot in het versiervak leert hem de fijne kneepjes, en twaalf dagen na het begin van het verhaal is hij volwassen.

Volwassen, dat wil uiteraard zeggen ingewijd in de lichamelijke liefde (‘uiteindelijk maakte ik me schuldig aan alles waaraan ik me maar schuldig kon maken’), maar ook: op de hoogte van de libertijnse code die in dit wereldje geldt, en die er ruwweg op neerkomt dat je als man zoveel mogelijk vrouwen moet veroveren en weer in de steek laten – met een ‘veroverde’ vrouw trouwen is uit den boze. De vrouwen spelen het spel mee, en zo houdt men zich onledig.

Een soort bezigheidstherapie voor werkloze aristocraten, zou je het kunnen noemen. Crébillon, die als eerste deze code beschrijft en zodoende als de grondlegger van de libertijnse roman mag worden beschouwd, laat het zijn hoofdpersoon zelfs expliciet zeggen: ‘Er heerste vrede, en dat maakte dat ik gevaarlijk veel vrije tijd had.’ Het is misschien wel de belangrijkste historische ontwikkeling van de achttiende eeuw: de bourgeoisie komt op, de adel wordt overbodig, met als gevolg dat de heldendaden van weleer alleen nog maar kunnen worden nagebootst, geparodieerd in een van zin en moraal verstoken reality game. Met liefde heeft dat spel weinig te maken, hoe vaak de term ook valt.

Het gaat de libertijn om eer, om roem, om trots, en ‘echte’ gevoelens zijn uit den boze, net als trouwens echte opvattingen en echte interesses: alles dient dat ene doel, de Triomf van de Wil, de voortdurende bevestiging van de eigen kracht en autonomie. We weten uit Laclos’ Les liaisons dangereuses en de romans van Sade waartoe dat uitgangspunt kan leiden.

Vergeleken met het sadistische universum van de ‘wrede’ variant van de libertijnse roman lijkt het aristocratische wereldje dat Crébillon portretteert, een aards paradijs. Voor zijn tijdgenoten betekende de loskoppeling van wereld en moraal echter een ongehoord schandaal. Niet voor niets presenteert de ik-persoon zich als een boeteling die na een amoreel leven tot inkeer is gekomen en uiteindelijk toch nog de ware liefde heeft gevonden.

Hóe dat is gebeurd, komen we niet te weten: gemeten aan de opzet die Crébillon in het voorwoord aankondigt, is Doolhof der liefde bij lange na niet af. We krijgen bijvoorbeeld ook te horen dat Meilcourt zijn leermeester Versac als verleider uiteindelijk zal overtreffen, maar het boek eindigt nu na de eerste liefdesnacht van de nieuweling.

Die schijnbare onvoltooidheid maakt van het boek een open kunstwerk, dat ook nu nog de specialisten onderling verdeelt. Veroordeelt Crébillon inderdaad de lichte zeden die hij beschrijft? Het zou kunnen, maar met evenveel recht kan het perspectief van de terugblikkende boeteling worden gezien als een literaire kunstgreep, een voorwendsel voor het vertellen van een smeuïg verhaal. En in dat geval maakt de onvoltooidheid van het boek misschien wel deel uit van de fictie.

Van die dubbelheid is de roman doortrokken. Door het verhaal loopt de rode draad van de echte liefde die Meilcourt voor zijn onbedorven en beeldschone leeftijdgenote Hortense voelt, of denkt te voelen, maar elke keer als hij definitief voor zijn ideaal lijkt te hebben gekozen, drijven zijn lusten en zijn ijdelheid hem weer naar de oudere mevrouw De Lursay. Liefdestrouw of losbandigheid? Niet alleen Meilcourt komt er niet uit, althans binnen het bestek van de roman, ook het boek zelf maakt geen definitieve keuze.

Zo dwalen we met de ik-persoon rond door de doolhof van de liefde. Eén les valt wel te trekken, namelijk dat voornemens meer met het heden dan met de toekomst te maken hebben. Dat geldt trouwens niet alleen voor voornemens. In het wereldje dat Meilcourt betreedt, is elk woord, elke zin onlosmakelijk verbonden met de situatie waarin ze worden uitgesproken. Spreken is handelen, handelen is spreken. Wie in Doolhof der liefde pikante scènes verwacht, komt dan ook bedrogen uit: het medium van de libertijnse losbandigheid is de taal, en wat buiten de taal gebeurt, is niet interessant. We bevinden ons in het rijk der zinnen, maar die zinnen hebben meer met welsprekendheid dan met erotiek te maken.

Dat betekent natuurlijk ook dat de vertaling heel nauw luistert. Juist doordat stijl en retoriek zo’n belangrijke rol spelen in het boek, kan de vertaler zich eigenlijk geen enkel slippertje veroorloven. Het is daarom jammer dat Corine Kisling haar hoge basisniveau niet consequent weet vast te houden. Mooi vertaalde passages worden soms ineens ontsierd door Nederfranse verschrikkingen als ‘ignoreren’, ‘passionele liefde’ of ‘slecht gedraaide zinnen’; gravinnen en markiezinnen drukken zich uit in popikreten als ‘jeetje’ en ‘goh’; en binnen eenzelfde alinea kunnen hippe neologismen als ‘flirterig’ en ‘egostrelender’ soms samengaan met archaïsche zinsneden van het type ‘ik misprees haar’.

Een probleem apart vormt het kernbegrip ‘bon ton’. Crébillon verstaat daaronder de ‘toon’ van de uitgaande wereld, waarmee zowel de concrete gesprekstoon als de abstracte omgangsregels bedoeld wordt. In het Nederlands kent de term een veel beperktere betekenis, maar dat weerhoudt Kisling er niet van hem onvertaald te laten. Ze parafraseert er zelfs consequent het verwante begrip bonne compagnie (‘high society’) mee, met als resultaat koeterwaals als ‘de bon-ton hanteren’ of ‘de bon-ton aanslaan’; het misplaatste koppelteken maakt de verwarring compleet.

Deze euvelen ten spijt is Doolhof der liefde een belangwekkende uitgave. Crébillons zedenschets heeft dan wel niet het niveau van latere libertijnse romans als Les liaisons dangereuses of Vivant Denons Point de lendemain, maar als grondlegger van het genre mag de tekst in geen enkele Franse Bibliotheek ontbreken.

  • Crébillon fils, Doolhof der liefde, vertaald uit het Frans door C.M.L. Kisling, met een nawoord van Sjef Houppermans. Van Oorschot, Franse Bibliotheek, 1998.

[de Volkskrant, 4 september 1998, © Martin de Haan]

Print Friendly
Categorie: Recensies MdH | Thema: Crébillon fils, libertijnen | Permalink |

Reacties zijn gesloten.