De nasleep van een goede grap

Je hebt schrijvers bij wie elke verkeerd gezette komma een smet op het overigens zo glorieus blinkende blazoen vormt. En je hebt er die zelfs door de ernstigste constructiefouten nog niet van hun glans kunnen worden beroofd, eenvoudigweg omdat de kern van hun kunstenaarschap niet in formele perfectie, maar in iets heel anders gelegen is: beweging, bijvoorbeeld, of zeggingskracht.

Een schrijver die onmiskenbaar tot die laatste categorie behoort, is Denis Diderot (1713-1784), romancier, filosoof, encyclopedist, kunstcriticus, toneelschrijver en nog veel meer – een van de meest universele geesten die de Franse cultuur ooit heeft gekend. Hij is de man over wie Menno ter Braak schreef: ‘Het troebele en mysterieuze ontbreekt in zijn geschriften volkomen.’ Dat klopt, als je onder ‘troebel en mysterieus’ tenminste zoiets verstaat als ‘religieus en metafysisch’, want voor het overige is Diderots werk een en al ongrijpbaarheid en turbulentie.

De naam Diderot wordt in de schoolboekjes nog altijd vooral in verband gebracht met de beroemde Encyclopédie, het monument bij uitstek van het anti-autoritaire Verlichtingsdenken. Toch is het niet overdreven te stellen dat hij in de eerste plaats een literator was, niet omdat hij op literair gebied zo’n omvangrijk oeuvre heeft nagelaten, maar omdat hij vrijwel geen enkele tekst heeft geschreven waarin zijn verbeelding niet met het geheel aan de haal gaat. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat zijn twee meesterwerken, De neef van Rameau en Jacques de fatalist, juist teksten zijn waarin het verhalende aspect alle ruimte krijgt.

In Nederland heeft Diderot nooit de aandacht gekregen die hij verdient, maar de laatste jaren lijkt daarin verandering te komen. In 1995 verschenen bij De Arbeiderspers de Brieven aan Sophie in een prachtige vertaling van Anneke Brassinga, er zijn (nieuwe) vertalingen van Jacques de fatalist en de Salon van 1765 in voorbereiding, en sinds vorige maand is er voor het eerst ook een volledige en volwaardige Nederlandse versie beschikbaar van De non, Diderots enige echte roman in de gebruikelijke zin des woords.

Wie het over De non heeft, kan niet om de anekdotische voorgeschiedenis van het boek heen. Het is namelijk ontstaan uit een practical joke die veel zegt over Diderots karakter. In Parijs vond van 1755 tot 1758 een opzienbarend proces plaats van een non die haar geloften wilde verbreken. Markies De Croismare, die tot Diderots vriendenkring behoorde, trok zich haar lot aan – tevergeefs, want ze verloor het proces. Toen de geliefde markies in 1760 tot ongenoegen van zijn vrienden een tijd uit Parijs weg was, besloten zij de non dan ook als lokaas te gebruiken: zogenaamd uit het klooster ontsnapt smeekte ze hem nu om hulp.

De leider van de samenzweerders was uiteraard Diderot. De brieven misten hun doel, de markies trapte er wel in, maar vroeg de non juist naar hém te komen, en ten slotte restte de vrienden niets anders dan haar te laten doodgaan. Intussen was Diderot begonnen met het schrijven van de memoires van de fictieve non, oorspronkelijk in het kader van de grap, maar al snel gaat het verhaal met hem op de loop. Op 1 augustus 1760 schrijft hij aan zijn vriend Damilaville: ‘Ik werk constant aan mijn Non. Maar het dijt uit onder mijn pen, en ik weet niet meer wanneer ik de oever zal bereiken.’ En aan Madame D’Épinay schrijft hij begin november: ‘Het is geen brief meer, het is een boek.’

En niet zomaar een boek, maar volgens de criticus Georges May een van de vijf of zes belangrijkste romans van de Franse achttiende eeuw. Het meest bijzondere eraan is ongetwijfeld dat Diderot, daartoe gedwongen door zijn eigen grap, echt in de huid van een jonge non probeert te kruipen, wat hem zo goed lukt dat hij zijn eigen esthetische overtuigingen er tijdelijk voor opzij zet: hij stelt de non, Suzanne Simonin, voor als een diepreligieuze persoon, die niet zozeer problemen heeft met het christelijk geloof als wel met de absurde beperkingen van het kloosterleven.

Het begint allemaal met Suzanne’s jeugd. Ze merkt dat ze ondanks haar kwaliteiten consequent wordt achtergesteld bij haar twee zusjes, en als die eenmaal met een flinke bruidsschat de deur uit zijn, blijkt dat haar ouders hun derde dochter het liefst in een klooster zien verdwijnen. Tegen haar zin gebeurt dat ook, maar na haar noviciaat weigert ze haar geloften af te leggen. Thuis komt dan de aap uit de mouw: ze is een buitenechtelijk kind van haar moeder, wat haar ‘vader’ wel vermoedt, maar niet zeker weet.

Er zit niets anders voor haar op dan opnieuw het klooster (een ander) in te gaan, en dan barst Diderots genadeloze afschildering van het kloosterleven pas goed los. Voor het contrast is er eerst nog een zachtzinnige, goede moeder-overste, maar wanneer die sterft, verandert het klooster in een hel; voor Suzanne des temeer, als bekend wordt dat ze haar geloften ongeldig wil laten verklaren. De nieuwe moeder-overste schuwt geen middel om haar het leven zuur te maken: ze wordt opgesloten, mishandeld, uitgejouwd, uitgesloten van de religieuze ceremoniën en ze overweegt serieus zelfmoord te plegen.

Op een bepaald moment wordt het Diderot ook te veel. In een lange, pathetische passage (op de achtergrond klinkt zijn recente ruzie met Rousseau mee) fulmineert hij tegen de onnatuurlijkheid van het geïsoleerde kloosterleven. Een mooier voorbeeld van een auteur die meegesleept wordt door zijn tekst, is nauwelijks denkbaar: de lange aanklacht begint met een ‘ik’ die niemand anders dan Suzanne kan zijn en eindigt na een hele reeks retorische vragen met de mededeling dat dit de inhoud was van de eerste pleitnota van haar advocaat. Blijkbaar besefte Diderot ook dat dergelijke diepe inzichten niet van een jong meisje kunnen worden verwacht.

Zo zijn er meer tegenstrijdigheden en merkwaardigheden. De vraag is natuurlijk in hoeverre Diderot zich daarvan zelf bewust is geweest. Misschien is het uiteindelijk wel een gewild effect: hij liet zich inderdaad snel meeslepen, maar cultiveerde dat beeld ook graag, zoals wel blijkt uit de anekdote in het ‘Voorwoord achteraf’ over een Diderot die door een vriend in tranen wordt aangetroffen, helemaal van streek door zijn roman. Officieel heeft Melchior Grimm dit voorwoord geschreven, maar in het manuscript is te zien dat de anekdote in het handschrift van Diderot zelf is toegevoegd.

Suzanne verliest haar proces. Het enige wat haar advocaat bereikt is overplaatsing, en in haar derde klooster krijgt ze te maken met een moeder-overste die wél heel lief voor haar is. Als eerste romancier beschrijft Diderot de lesbische liefde heel precies, tot aan het orgasme toe (de roman stond niet voor niets tot voor kort als pornografisch bekend), zij het nog altijd vanuit het perspectief van het onschuldige jonge meisje dat er niets van begrijpt. Uiteindelijk laat hij de schuldige verscheurd worden door berouw en in waanzin sterven.

Het is in alle opzichten het hoogtepunt van het boek: met de krankzinnigheid van de moeder-overste wordt het ritme kortademig, Diderot laat het voorkomen alsof Suzanne haar memoires niet heeft kunnen afmaken en over de laatste periode alleen wat fragmentarische aantekeningen heeft gemaakt, wat de waarschijnlijkheid van de pseudomemoires alleen nog maar verhoogt. In die zin staat De non lijnrecht tegenover Jacques de fatalist, waarin elke werkelijkheidsillusie op een speelse manier met de grond gelijk wordt gemaakt.

Aan Jacques en De neef van Rameau dankt Diderot ook zijn reputatie van ‘moderne’ schrijver. Je hoeft geen Milan Kundera te heten om te beseffen dat zo’n kwalificatie minder over Diderot zegt dan over onszelf, met ons nog altijd nauwelijks verwerkte romantisch-realistische negentiende-eeuwse verleden. De non laat een andere, duidelijker als achttiende-eeuws herkenbare kant van Diderot zien: de larmoyante, pathetische kant van de Greuze-liefhebber – de moralistische genreschilder – en de theoreticus van het burgerlijk treurspel.

Dat is in eerste instantie misschien even schrikken voor wie Diderot alleen van zijn speelsere teksten kent, maar het is zoals vertaalster Mirjam de Veth in haar gloedvolle nawoord zegt: ‘De papieren non leeft voor wie lezen wil.’ Meer is niet nodig.

 

  • Denis Diderot, De non, vertaald uit het Frans door Mirjam de Veth. De Arbeiderspers, 1998.

 

 

[de Volkskrant, 28 mei 1998, © Martin de Haan]

Print Friendly
Categorie: Recensies MdH | Thema: Diderot | Permalink |

Reacties zijn gesloten.