Lundgren, Julia

Zweeds schilderes, actief omstreeks 1900. Julia Lundgren maakte aan het begin van haar carrière deel uit van de groep impressionistische Scandinavische schilders rond Carl Larsson en Søren Krøyer. Later werd ze een leerlinge van Claude Monet.

Hoewel Lundgren vroeg met schilderen stopte, was haar loopbaan kenmerkend voor de ontwikkelingen in de schilderkunst rond de vorige eeuwwisseling. Centraal in haar creatieve zoektocht, die uitgebreid is geboekstaafd door haar minnaar Ulrik Tercier in zijn autobiografie Sundborn ou les jours de lumière, stond de vraag naar het verband tussen kunst en leven. Aanvankelijk neigde ze ertoe, hoewel met de nodige reserves, dat verband evenals Larsson en Krøyer als organisch te beschouwen: de kunst staat niet tegenover het leven maar vormt er een onderdeel van, ze moet niet proberen zich van dat leven los te koppelen maar juist de onverbrekelijke band ermee benadrukken. Uit de werken van Larsson en Krøyer straalt hetzelfde levensgeluk dat de kunstenaars in hun leven van alledag kenmerkt: kunst en leven lopen vloeiend in elkaar over. Na indringende gesprekken met Larssons vrouw Karin, zelf ook schilderes, kwam Lundgren tot het besluit dat een dergelijke kunstopvatting zou uitlopen op een verkwanseling van de kunst ten gunste van een vaag, vluchtig streven naar geluk. Inderdaad bleek Karin Larssons eigen ‘kunst’ zich tien jaar later te beperken tot het met veel smaak inrichten van haar huis: kleinburgerlijk huisgeluk als levenskunst.

Lundgren nam langzaam afstand van de groep rond Larsson en Krøyer, vooral nadat die laatste haar verweet het licht dat zij allen probeerden te vangen tot een abstractie te maken: het leek alsof de personages die in dat licht gedompeld waren, er voor haar niet meer toe deden. Maar juist die abstractie, de poging de essentie van de dingen te benaderen, zag Lundgren als de taak van de kunst. Ze wendde zich tot de inmiddels beroemde Claude Monet, die dezelfde opvatting was toegedaan. Opmerkelijk is in dit opzicht een gezamenlijke schildersessie waarbij beide kunstenaars de gelaatstrekken van het model volledig onherkenbaar bleken te hebben afgebeeld. Lundgrens minnaar Tercier, die erbij aanwezig was, besefte echter ineens dat Monets schilderij als twee druppels water leek op een doek uit de begintijd van de schilder, dat diens overleden eerste vrouw Camille voorstelde. Het nieuwe schilderij leek zodoende – al dan niet bewust – te zijn gedicteerd door Monets nog altijd voortlevende liefde. ‘Nee,’ schrijft Tercier, ‘de kunst stond niet boven het leven. Momenten uit het bestaan, vastgelegd op het doek, waren meer dan een toevallige lichtval. Er kwam een hele manier van leven in tot uiting, die niets was zonder de tederheid voor de personages, niets zonder de liefde.’ Met zijn nieuwe inzicht vervreemdde Tercier zich van zijn vriendin en het koppel ging uit elkaar. Pas jaren later zagen ze elkaar terug. Julia Lundgren had inmiddels niet alleen haar extreme positie opgegeven, maar ook het schilderen zelf. Haar liefde voor Tercier herleefde als nooit tevoren, maar uiteindelijk moest ze constateren dat dit niet het juiste leven voor haar was. Ze zei hem opnieuw vaarwel, ditmaal voorgoed. Haar afscheidsbrief is tevens een waardevol kunsttheoretisch document: ‘Voor jou, Ulrik, ontstaan de werken van Carl en Søren vanuit harmonie (…). Ik weet niet of [zij] echt gelukkig zijn, in de betekenis die jij aan dat woord toekent. Voor hen is geluk een wankel evenwicht tussen hun leven en hun vermogen om te schilderen. Maar als ze niet meer zouden schilderen…’ Na haar breuk met Ulrik Tercier is Julia Lundgren spoorloos verdwenen. [MdH]

[Lemma uit Koen Brams, Encyclopedie van fictieve kunstenaars (Nijgh & Van Ditmar, 2000), © Martin de Haan]

Print Friendly
Categorie: Fictieve kunstenaars | Thema: Delerm | Permalink |

Reacties zijn gesloten.