Een mens zoals wij

‘Ik ging pissen. Het was nog nacht. Anderen naast me pisten ook; we spraken niet. Achter de pisplaats was de schijtkuil met een muurtje waarop andere kerels zaten, de broek naar beneden. Boven de kuil was een afdakje, boven de pisplaats niet. Achter ons geluiden van klompschoenen, gehoest van anderen die kwamen aanlopen. De schijtplaats was nooit verlaten. Boven de pisplaatsen hing altijd damp.’

De abrupte opening zet de toon. In de beschaafde wereld ontlasten mensen zich doorgaans alleen, en krijgt de plaats waar ze zich ontlasten een eufemistischer naam dan ‘schijtplaats’. De schijtplaats die Robert Antelme in de eerste alinea van De menselijke soort beschrijft, is ondanks de precaire sanitaire voorzieningen nooit verlaten. Dit is een andere dan de beschaafde wereld.

In de tweede alinea wordt uitgezoomd. Er wordt gerept van barakken, ‘een rij duistere rechthoeken onderbroken door zwakke gele lichten’. Van boven af moeten vliegtuigen die ‘gele vlekken in de aaneengesloten zwarte massa bossen’ kunnen zien. Maar ‘het gehoest, het geluid van klompschoenen in de modder’ horen ze niet. Die nacht is er helemaal geen reden om omhoog te kijken. Er is niets te zien.

Bad Gandersheim. Barak van de Franse gevangen

Bad Gandersheim. Barak van de Franse gevangen

De menselijke soort, in Frankrijk verschenen in 1947 en nu door Paul Huigsloot in het Nederlands vertaald, is in de kern een gedenkboek. Antelme geeft een retrospectieve beschrijving van zijn gevangenschap in een Duits concentratiekamp tijdens de laatste oorlogswinter en van de vlucht die daarop volgde. We komen hoegenaamd niets te weten over de verzetsactiviteiten die voorafgingen aan zijn deportatie naar Buchenwald, en evenmin over de verwikkelingen rond zijn bevrijding uit Dachau (Marguerite Duras, ex-echtgenote van Antelme, gaf een persoonlijk relaas van die bevrijding in De pijn). Maar we vernemen veel, misschien meer dan ons lief is, over de dagelijkse gang van zaken in het kamp, juister gezegd in het Kommando Gandersheim.

In Gandersheim, dat ressorteert onder concentratiekamp Buchenwald, dienen circa vijfhonderd politieke gevangenen, Fransen, Italianen, Russen maar ook gewone strafgevangenen, als brandstof voor de Duitse oorlogseconomie. Het is geen Vernichtungslager, er is geen gaskamer of crematorium. De fysieke realiteit van de gevangenschap bestaat uit slavenarbeid, honger, kou. ‘Het verschrikkelijke hier’, schrijft Antelme in zijn voorwoord, ‘is onduidelijkheid, volkomen gebrek aan houvast, eenzaamheid, onophoudelijke onderdrukking, langzame vernietiging.’

Paginalang worden we ingelicht over het effect van luizen in lichaamsholten. Uitentreuren horen we hoe je je kunt verheugen op een gamel soep – vooral als de soep ‘mooi’, dat wil zeggen voedzaam is -, en wat er met je gebeurt als de gamel door een medegevangene wordt gestolen. We leren dat pissen niet zomaar een fysieke corvee is, zelfs meer dan een daad van zichtbare onafhankelijkheid, maar een manier om het kamp te ontvluchten.

‘In veel opzichten is ontlasting ook een ont-lasting van de vreselijke last die iedereen met zich mee te dragen heeft’, schrijft Sem Dresden in zijn gezaghebbende studie Vervolging, vernietiging, literatuur. Hem valt de bijzondere aandacht op die Antelme besteedt aan latrines, een aandacht die Dresden in verband brengt met het belang dat de ‘zogenaamd primitieve noden en behoeften’ voor de gevangenen hebben. Wanneer een lichaam zichzelf verteert, wordt de toestand van de ingewanden cruciaal. De honger overleven is dan de hoogste menselijke waarde. ‘De ervaring van iemand die afval eet, is een uiterste toestand van verzet.’

De afwezigheid van de geijkte gruwelvisioenen zorgt ervoor dat bepaalde clichématige verwachtingen over wat kampliteratuur is, niet worden ingelost. Antelme grossiert niet in het onuitsprekelijke, het woord ‘hel’ komt in zijn boek niet voor. Hij dwingt zijn lezer opnieuw te kijken en te zien, te luisteren en te horen. Daarbij beschikt hij over een laconieke, dicht bij de spreektaal aanleunende stijl, die vertaler Paul Huigsloot zich vakkundig eigen heeft gemaakt, en over een onzichtbare compositorische meesterhand.

De menselijke soort heeft het nodige gemeen met een aantal klassieke werken in het genre van de kampliteratuur – de autobiografische inslag, de episodische opbouw, de onderkoelde stijl van bijvoorbeeld Is dit een mens (Primo Levi) of Berichten uit Kolyma (Varlam Sjalamov). Maar de ware originaliteit van het boek ligt in hoe Antelme de werkelijkheid die hij beschrijft probeert te begrijpen, probeert te bezweren door begrip. De korte scènes waaruit zijn chronologische verslag is opgebouwd, wisselt hij af met objectiverende bespiegelingen waarin hij de beschreven realiteit op afstand plaatst. Dan blijken ook traditionele ‘hogere waarden’ een rol te spelen in zijn verzet tegen de vernietiging.

In het kamp ziet hij een samenlevingsmodel dat verwant is aan andere op onderdrukking gebaseerde samenlevingsmodellen. Niettemin weigert hij te tornen aan het ultieme besef ‘(…) dat er maar één menselijke soort is. Dat alles wat die eenheid maskeert, alles wat mensen in een situatie van uitbuiting en onderworpenheid plaatst en daarmee het bestaan zou impliceren van soortvariëteiten, onwaar en dwaas is; en dat wij daarvan hier het bewijs hebben, het meest onweerlegbare bewijs, aangezien het ergste slachtoffer niet anders kan dan vaststellen dat de macht van de beul, in zijn ergste vorm, geen andere kan zijn dan die van de mens: de macht om te moorden. Hij kan een mens doden, maar hij kan hem niet in iets anders veranderen.’

Hij kan hem niet in iets anders veranderen, hoezeer hij ook zijn best doet zijn slachtoffer tot iets niet-menselijks te reduceren. En de SS’er, die zo gemakkelijk een onmens heet te zijn, is ‘een mens zoals wij’. Een principieel humanisme dwingt Antelme tot ongemakkelijke empathie met zijn onderdrukkers, en de lezer tot een lastig zelfonderzoek. Identificatie met een beul ligt minder voor de hand dan identificatie met een slachtoffer. Maar wat als dat slachtoffer tussen zichzelf en zijn beul geen enkel wezenlijk verschilt erkent?

Aangrijpend document, humanistisch traktaat, het zijn karakteriseringen die tekortschieten. Antelme weet de kampwerkelijkheid akelig dichtbij te halen – pissen zal nooit meer helemaal zijn wat het was – en maakt zo van iets wat één iemand overkwam tot iets wat ook de lezer overkomt. Maar hij doet dat zonder die lezer toe te staan zich eenzijdig met de slachtoffers te identificeren. Zijn literaire verbeeldingskracht staat steeds ook in dienst van zijn lucide wil om te begrijpen wat hij heeft doorleefd, in een voortdurende beweging tussen fysieke lijdzaamheid en kritische waarheidsdrang. Hij brengt de literatuur, die bij uitstek menselijke uitingsvorm, in stelling tegen de onmenselijkheid van de nazi-ideologie. Alsof de waarheid van de literatuur de leugen van het SS-regime alsnog nietig kan verklaren.

Naast het boek van Antelme verscheen bij dezelfde uitgever een essay van Duras-specialiste Etty Mulder onder de titel Fuga uit Buchenwald. Daarin verkent zij een aantal suggestieve parallelen tussen De menselijke soort, de roman Vernietigen, zegt zij van Duras, de fugatische kunst van Bach, Goethes Wahlverwandtschaften en nog enkele andere motieven. Mulders nogal parmantige essay kan mij helaas in wat zij over Antelme te berde brengt niet overtuigen. Antelme mist voor haar geloofwaardigheid omdat hij zich niet aan wraak- of haatgevoelens jegens zijn onderdrukkers overgeeft, en omdat zijn stelling over de ondeelbaarheid van de soort voorbijgaat aan het ‘peilloze mysterie van het kwaad.’ De menselijke soort, gezien door Mulders psycho-biografische bril, lijkt bovendien hoofdzakelijk interessant als symptoom van traumaverwerking. De literaire portee van het werk is aan haar niet besteed.

Antelme, al dan niet getraumatiseerd, is de schrijver van één boek gebleven. Het is te danken aan de bevlogen commentaren van mensen als Maurice Blanchot en Georges Perec dat De menselijke soort in Frankrijk nog enig literair nachleben kende. Sem Dresden stelde bij de presentatie van de vertaling dat het boek nooit populair is geweest, maar dat het in zijn genre ‘één van de allerbeste is gebleken te zijn’. ‘U moet het eenvoudig lezen, en het belang ervan inzien.’

  • Robert Antelme, De menselijke soort, vertaald uit het Frans door P. Huigsloot, SUN, 2001.
  • Etty Mulder, Fuga uit Buchenwald, SUN, 2001.

[de Volkskrant, 22 juni 2001, © Rokus Hofstede]

Print Friendly
Categorie: Recensies RH | Thema: Antelme, kampliteratuur | Permalink |

Reacties zijn gesloten.