Denis Diderot, ‘Dit is geen grap’, fragment

– Het is een feit dat er zeer goede mannen en zeer slechte vrouwen bestaan.
– Dat zien we elke dag en soms zelfs zonder ons eigen huis te verlaten. En verder?
– Verder? Ik heb een mooie vrouw uit de Elzas gekend, maar dan ook zo mooi dat de oude mannen voor haar te hoop liepen en de jongelui met een ruk bleven stilstaan.
– Ik heb haar ook gekend, ze heette madame Reymer.
– Inderdaad. Een man uit Nancy die pas in Parijs was aangekomen, Tanié genaamd, werd smoorverliefd op haar. Hij was arm. Het was een van die ongelukskinderen uit een groot gezin die van huis weglopen om te ontkomen aan hun harteloze ouders, en die zich in de wereld storten zonder te weten wat er van ze zal worden, maar in de vaste overtuiging dat ze het nooit slechter kunnen krijgen dan in het leven dat ze zijn ontvlucht. Tanié was zo verliefd op madame Reymer dat zijn liefde hem moed gaf en alles wat hij ondernam nobel maakte in zijn ogen; zonder tegenzin deed hij alles om de armoede van zijn vriendin te verzachten, niets was hem te zwaar of te laag. Overdag ging hij in de haven werken; als de avond viel stond hij op straat te bedelen.
– Dat was allemaal prachtig, maar het kon niet lang duren.
– Tanié, die er genoeg van had om tegen de armoede te vechten, of liever gezegd om een bekoorlijke vrouw gebrek te laten lijden terwijl ze werd bestookt door schatrijke mannen die haar onder druk zetten om die armoedzaaier van een Tanié weg te jagen…
– Wat ze een halve of een hele maand later ongetwijfeld zou hebben gedaan.
– … en hun rijkdommen te accepteren, besloot haar te verlaten en in den vreemde zijn geluk te gaan beproeven. Na enig aandringen mocht hij mee op een schip van de koning. Het moment van vertrek is daar. Hij gaat afscheid nemen van madame Reymer. ‘Lieve vriendin,’ zegt hij, ‘ik mag niet langer misbruik maken van je genegenheid. Ik heb mijn besluit genomen, ik ga weg.’ ‘Je gaat weg!’ ‘Ja.’ ‘Waar ga je dan heen?’ ‘Naar de Antillen. Jij verdient een ander leven en ik mag dat niet langer tegenhouden.’
– Die brave Tanié!
– ‘Wat moet er dan van mij worden?’
– De huichelaarster!
– ‘Je wordt omringd door lieden die bij je in de smaak willen vallen. Ik geef je je vrijheid terug. Je bent van je beloften ontslagen. Kijk welke aanbidder je het best bevalt en neem die dan, ik smeek het je.’ ‘O, Tanié, zeg jij me dat ik…’
– U hoeft de gebaren van madame Reymer niet na te doen. Ik zie ze voor me, ik ken ze.
– ‘De enige gunst die ik van je vraag voor ik wegga, is dat je geen verbintenis aangaat die ons voorgoed van elkaar zou scheiden. Zweer me dat, lieve vriendin. Op welke plek van de wereld ik ook terechtkom, ik moet het daar wel erg ellendig hebben wil er een jaar voorbijgaan zonder dat ik je een duidelijk bewijs van mijn innige liefde stuur. Nee, niet huilen.’
– Ze huilen allemaal wanneer het ze uitkomt.
– ‘En verzet je alsjeblieft niet tegen het plan dat de verwijten van mijn hart me uiteindelijk hebben ingegeven, en dat als ik bleef algauw wéér bij me op zou komen.’
– En zo verdween Tanié naar Saint-Domingue, net op tijd voor madame Reymer en voor hemzelf.
– Wat weet u daarvan?
– Ik weet beter dan wie ook dat toen Tanié haar aanraadde een keus te maken, die keus al was gemaakt.
– Zo!
– Vertel verder.
– Tanié was schrander en had een grote bestuurlijke aanleg. Het duurde niet lang voordat hij de aandacht op zich vestigde. Hij werd lid van het parlement van Cap-François, waar hij zich onderscheidde door zijn intelligentie en zijn redelijkheid. Hij ambieerde geen groot fortuin, maar wilde alleen op een eerlijke, snelle manier zijn geld verdienen. Elk jaar stuurde hij er een deel van naar Madame Reymer. En na…
– Een jaar of negen, tien. Nee, ik geloof niet dat hij langer is weggebleven.
– … kwam hij zijn vriendin een kleine portefeuille brengen met daarin het resultaat van zijn deugd en zijn noeste arbeid.
– En gelukkig voor Tanié had ze op dat moment net de allerlaatste van zijn opvolgers de bons gegeven.
– De allerlaatste?
– Ja.
– Ze had er dus meerdere gehad?
– Beslist. Vooruit, vertel verder.
– Maar misschien heb ik niets te vertellen dat u zelf niet al beter weet dan ik.
– Doet er niet toe, ga maar verder.

[Fragment uit Denis Diderot, Dit is geen grap (Fr. Ceci n’est pas un conte), vertaling Martin de Haan. Voetnoot, Perlouses 4, 2004. Lees ook het nawoord.]

Print Friendly
Categorie: Vertalingen MdH | Thema: Diderot | Permalink |

Reacties zijn gesloten.