Een lachspiegel op de hoofdweg

Slecht geschreven en onbegrijpelijk. Dat vond de grote stilist Gustave Flaubert Het rood en het zwart, de roman waarmee Henri Beyle, alias Stendhal (1783-1842), dertig jaar eerder zijn naam had gevestigd. Diezelfde roman figureert inmiddels in de Perpetua Reeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep en wordt dus door een serieuze jury inmiddels beschouwd als een van de honderd beste boeken ter wereld – samen met Flauberts Madame Bovary. Het kan verkeren.

Wie de schrijfstijl als oorsprong, doel en zin van alle literatuur ziet, zoals ruim de helft van alle Franse schrijvers sinds Flaubert, is bij Stendhal inderdaad aan het verkeerde adres. Hij schreef in razende vaart, nam niet eens de moeite om de romanconstructie later te herzien (‘wij hebben vergeten te vertellen dat de markies al zes weken zijn kamer hield wegens een jichtaanval,’ voegt hij schaamteloos en niet zonder zelfspot toe op het moment dat hij die informatie nodig heeft), en lapte alle regels van het ‘verzorgde proza’ aan zijn laars: met zijn losse conversatiestijl staat hij dichter bij een achttiende-eeuwer als Diderot dan bij hoogdravende tijdgenoten als Chateaubriand en Madame de Staël.

Doel van die losse stijl is niets meer en niets minder dan het uitdrukken van de romaneske waarheid. ‘Waarheid, bittere waarheid,’ luidt het motto van het eerste deel van Het rood en het zwart, en Stendhal zou zich onmiddellijk akkoord hebben verklaard met een uitspraak van Schopenhauer die onze tijdgenoot Houellebecq zo graag citeert: ‘De eerste, in zijn eentje zelfs vrijwel toereikende regel van een goede stijl is dat je iets te zeggen moet hebben.’ Dat betekent overigens niet dat hij zomaar wat aanrommelt, zoals sommigen van zijn critici beweren. Als een goede stijl gelijkstaat aan het bereiken van het gewenste effect door de inzet van de juiste middelen, is Stendhal wel degelijk een groot stilist.

Vooral zijn ironie is ongeëvenaard. Neem de volgende zin, ergens op tweederde van het boek: ‘Nu wij het erover eens zijn dat in onze voorzichtige en deugdzame tijd het karakter van Mathilde niet kán bestaan, ben ik niet meer zo bang ergernis te wekken met mijn verhaal over de dwaasheden van dit beminnelijke meisje.’ De driedubbele ironie (‘wij’ hebben onze mening niet kunnen geven, Stendhal vond zijn hypocriete tijd allesbehalve voorzichtig en deugdzaam, en het personage Mathilde is het tegendeel van beminnelijk) wordt nog versterkt door de voorafgaande passage, waar het romangenre wordt vergeleken met een spiegel die wordt voortgedragen over de hoofdweg: ‘Nu eens weerkaatst hij voor u het blauw van de hemel, dan weer de modderpoelen op de weg. En dan wilt u de man die de spiegel op zijn rug draagt ervan betichten dat hij immoreel is! Zijn spiegel laat het slijk zien, en u geeft de schuld aan de spiegel! Geef veeleer de schuld aan de hoofdweg waar de plas ligt, of liever nog aan de wegopziener die het water laat staan tot het slijk wordt.’

Het is Stendhal ten voeten uit. Midden in een ironische context waarin hij benadrukt dat het aanstootgevende personage Mathilde ‘geheel verzonnen’ is en niets te maken heeft met ‘de maatschappelijke zeden en gewoonten die de negentiende-eeuwse samenleving door de tijden heen zullen verzekeren van een zeer hoge rang in de beschaving’, doet hij pardoes een uitspraak over de functie van de roman als weerspiegeling van de wereld, inclusief het slijk dat zich daar eventueel bevindt (lees: de verdorven samenleving waaruit Mathilde is voortgekomen), om vervolgens onverstoorbaar de ironie weer op te pakken. Maar wat blijft hangen is het beeld van de spiegel, dat niet voor niets beroemd is geworden.

Dat beeld is vooral zo mooi omdat het goed aangeeft hoe Stendhals realisme werkt: selectief, met schokken, zonder vooropgezet program. Waar iemand als Balzac zich ten doel stelt een gedetailleerd, alomvattend fresco van zijn tijd te schilderen, beperkt Stendhal zich tot een snelle, contrastrijke schets. Weliswaar luidt de ondertitel van Het rood en het zwart ‘Kroniek van het jaar 1830’, in latere uitgaven zelfs ‘Kroniek van de negentiende eeuw’, maar de tocht van timmermanszoon Julien Sorel door de rangen en standen van zijn tijd blijft iets weg hebben van een karikatuur, waarin bepaalde trekken met duivels genoegen zijn aangedikt en andere bewust weggelaten.

Meteen al aan het begin van het boek wordt Julien Sorel neergezet als een intelligente, hyperambitieuze, maar ook dwaze, wereldvreemde jongeman met een bijzonder sterke verbeelding. Al die eigenschappen worden flink uitvergroot, waardoor het portret van de hoofdpersoon eerder grotesk dan realistisch is. Julien put al zijn wijsheid en ambitie uit de paar boeken die hij heeft gelezen, met name de memoires van Napoleon en de Bekentenissen van Rousseau – waarmee direct een basispatroon van de roman gegeven is: alle personages, behalve de ‘onbedorven’ madame De Rênal, ontlenen hun gevoelens en verlangens aan externe voorbeelden: boeken, overgeleverde verhalen, het gedrag van andere mensen.

Juist die ‘bittere waarheid’, de ontdekking dat de beschaafde mens geen authentieke verlangens en gevoelens heeft, maar altijd een model navolgt, onderscheidt een grote roman als Het rood en het zwart van het doorsnee romantische proza, dat wil zeggen het doorsnee proza tout court, waarin de begeerte van het individu wordt voorgesteld als een unieke, spontaan opwellende bron. De filosoof René Girard schreef daar een baanbrekende studie over: De romantische leugen en de romaneske waarheid. En door de romantische leugen die hij met een schaterlach aan het licht brengt, komt Stendhal alsnog heel dicht in de buurt van Flaubert, die met Emma Bovary de verpersoonlijking van die leugen creëerde, in een traditie die al begint bij Don Quichot.

Dit alles komt voortreffelijk tot zijn recht in de vertaling van Hans van Pinxteren uit 1989, die zelf inmiddels ook een klassieke status heeft gekregen, waarschijnlijk nog voor lange tijd (want alleen slechte vertalingen verouderen). Toch is het in zekere zin een gemiste kans dat voor deze prachtige reeks geen nieuwe vertaling is gemaakt. Net als muziekstukken gedijen grote teksten bij meerdere goede vertolkingen, die elkaar wederzijds aanvullen en belichten. Creatieve ruimte genoeg. Het wachten is op de nieuwe Madame Bovary.

  • Stendhal, Het rood en het zwart, vertaling Hans van Pinxteren. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2007.

[de Volkskrant, 7 december 2007, © Martin de Haan]

Print Friendly
Categorie: Recensies MdH | Thema: Stendhal | Permalink |

Reacties zijn gesloten.