Schaduwkunstenaars

Ze zijn de waterdragers van het literaire peloton: de vertalers. Ver van alle media-aandacht sloven ze zich uit voor hún auteurs, en eigenlijk zijn ze niet eens zo ontevreden met die plaats in de schaduw: mooie dingen kunnen maken zonder de last van de roem te hoeven dragen, wie zou dat niet willen?

Ongeveer 30 procent van alle boeken die in het Nederlands verschijnen, zijn vertalingen, volgens de becijfering van socioloog Johan Heilbron. Dat is veel, zeker in vergelijking met ‘dominante’ talen zoals het Engels (minder dan 3 procent vertalingen op de totale productie), het Frans (iets meer dan 10 procent) en het Duits (idem). Je zou kunnen denken dat onze uitgevers luier of angstiger zijn dan hun buitenlandse collega’s en daarom minder investeren in maaksels van eigen bodem, maar de cijfers wijzen anders uit: hoe kleiner het gewicht dat een taalgebied internationaal in de schaal legt, hoe meer belangstelling voor wat er elders gebeurt.

Juist in een marginaal taalgebied als het onze zou je naast veel vertalingen ook relatief veel aandacht voor het vertalen zelf verwachten, maar dat valt tegen, om een voor de hand liggende reden: het is niet direct een bezigheid die gemakkelijk voor het voetlicht kan worden gebracht. Ludieke acties zoals de ‘gläserne Übersetzer’ op de Frankfurter Buchmesse, waarbij het publiek een vertaler in een glazen hok aan het werk ziet terwijl de woorden die hij typt op een groot scherm worden geprojecteerd, geven misschien een aardige indruk van de moeilijkheid van het werk, maar het vertaalproces zelf blijft ongrijpbaar.

Toegegeven, ook onderling zijn vertalers het niet altijd eens over de aard van dat proces. Is literair vertalen een kunst, zoals sommigen beweren, of is het eerder een ambacht of een techniek? Het een sluit het ander natuurlijk niet echt uit, al was het maar omdat elke kunst ook vakmanschap veronderstelt. Achter die richtingenstrijd gaat dan ook niet zozeer een verschil in aanpak schuil, als wel een meningsverschil over de status van het resultaat: iedereen weet dat een vertaling nooit identiek kan zijn aan het origineel, en sommigen ervaren de speelruimte die daardoor ontstaat als een bevrijding, anderen als een verlies.

Intuïtief ben je geneigd die laatste groep gelijk te geven, en niet alleen omdat er zoveel slechte vertalingen verschijnen. Immers, als een vertaling niet meer bedoeld is als een zo getrouw mogelijke weergave van het origineel, is het geen vertaling, maar een bewerking. Toch valt er veel te zeggen voor het idee van vertalen als uitvoerende kunst. Een groot pleitbezorger van dat idee, Dolf Verspoor, stelt in zijn beroemd geworden feestrede voor Nijhoffprijswinnaar E.M. Kummer (1972): ‘Het kunstwerk bestaat niet objectief. Kunst komt alleen over in de vorm van interpretatie, van vertaling. Het kunstwerk is essentieel mobiel, al naar gelang van degenen die het in zich opnemen, al naar gelang van de tijd.’

Dat betekent niet dat anything goes, het betekent alleen dat de oorspronkelijke tekst minder oorspronkelijk is dan we misschien dachten. ‘Het kunstwerk is een weefsel van betrekkingen,’ zegt Verspoor, en elke afzonderlijke vertaling legt die op haar eigen manier vast: de vertaling ‘maakt’ het origineel, waardoor het befaamde adagium ‘vertalen wat er staat’ en passant een heel andere dimensie krijgt. Terecht trekt Verspoor de vergelijking met de muziek: daar is het voor het publiek ‘niet alleen gewoon, maar zelfs een behoefte om bepaalde werken te horen in verschillende uitvoeringen’, omdat elke uitvoering het werk opnieuw doet ontstaan.

Waarschijnlijk zal het nooit zover komen dat er tegelijkertijd meerdere vertalingen van de nieuwe Coetzee of de nieuwe Grøndahl op de markt worden gebracht. Het personage van de vertaler laat zich nu eenmaal veel moeilijker commercieel uitbaten dan de virtuoze nazaten van Liszt en Paganini (samen ongetwijfeld voor een groot deel verantwoordelijk voor het aura van genialiteit dat uitvoerende musici omgeeft sinds de late Romantiek). Toch gebeurt het wel dat er van een (klassiek, dus rechtenvrij) literair werk meerdere vertalingen min of meer tegelijk verschijnen, en dan valt heel goed te zien wat Verspoor betoogt: elke goede vertaling creëert haar eigen origineel.

Concurrerende vertalingen

Homerus, Euripides, Dante, Montaigne, Rabelais, Shakespeare, Baudelaire, Rimbaud, Szymborska: van al deze groten zijn de laatste decennia parallelle vertalingen verschenen, doorgaans van hoog niveau. Dante spant de kroon met maar liefst drie recente versies, wat drie van de vier vertalers zelfs een tv-optreden bij Hanneke Groenteman opleverde. Ook het moddergevecht tussen de Baudelaire-vertalers Peter Verstegen en Petrus Hoosemans werd in de pers breed uitgemeten. De tendens is duidelijk en begrijpelijk: als er meerdere vertalingen van eenzelfde werk uitkomen, is er ineens veel meer aandacht voor de vertalers en hun prestaties.

Het recentste voorbeeld van zo’n dubbelvertaling, en waarschijnlijk ook het mooiste, vormen de onlangs verschenen Rimbaud-bundels van Paul Claes en Hans van Pinxteren. Beide topvertalers zijn al decennialang in de weer met de kind-dichter, en beiden hebben nu een herziene versie van hun eerdere vertalingen uitgebracht (waarin ze elkaars keuzes ongetwijfeld hebben meegewogen, al vermeldt Claes Van Pinxteren vreemd genoeg niet in zijn bibliografie), dus dit is de ideale situatie voor een vergelijking in muzikale zin, waarbij niet de correctheid van de uitvoeringen centraal staat, maar de visie die erin besloten ligt.

Die draait niet alleen om woordbetekenissen, maar vooral ook om stilistische keuzes, vederlichte details die pas samen gewicht krijgen. Beide vertalers hebben esthetische vertalingen gemaakt en zich dus hypothetisch afgevraagd hoe Rimbaud in het Nederlands zou hebben geschreven, en ze komen daarbij soms tot heel andere oplossingen. Neem het begin van ‘Alchimie du verbe’. Claes maakt daarvan: ‘Mijn beurt. Het verhaal van een van mijn dwaasheden. / Allang voelde ik mij de meester van alle mogelijke landschappen en vond ik de grote namen uit de moderne schilderkunst en poëzie belachelijk.’

Van Pinxteren: ‘Nu ik! Verhaal van een van mijn bevliegingen. / Al tijden lang bazuinde ik rond dat ik alle mogelijke landschappen bezat, en ik maakte mij vrolijk over de kopstukken van de moderne poëzie en schilderkunst.’ Beide versies ‘kloppen’ met het Frans, maar in die van Claes klinkt de inkeer haast sereen, in die van Van Pinxteren eerder spottend. Pas door de twee vertalingen wordt die keuzemogelijkheid in de Franse tekst zichtbaar: ook de Franse lezer kan er iets van leren. En ook de vertalingen zelf kunnen weer op eindeloos veel manieren worden gelezen.

Piet Gerbrandy schreef onlangs in de Volkskrant: ‘Dat Rimbaud steeds opnieuw vertalers trekt, komt doordat geen enkele weergave erin slaagt de rijkdom van de Franse tekst te doen wedervaren. (…) Iedere vertaling benadrukt noodzakelijkerwijs bepaalde aspecten en maakt andere onzichtbaar.’ Die uitspraak behoeft op zijn minst enige nuancering, en met hulp van Dolf Verspoor zou je hem zelfs kunnen omdraaien: elke goede vertaling werpt een nieuw licht op de oorspronkelijke tekst en vergroot daarvan de rijkdom, die alleen maar bestaat als interactie, interpretatie, vertaling. Een tekst is geen hermetisch afgesloten schatkist.

Marktwaarde

Helaas zijn langdurig gerijpte en nog eens herziene vertalingen zoals die van Claes en Van Pinxteren een zeldzaamheid. Sterker nog, van steeds meer vertalingen laat de kwaliteit ronduit te wensen over, door verschillende oorzaken: uitgevers leggen steeds vaker absurde deadlines op, het werk wordt erg slecht betaald, en vertalen is typisch zo’n vak dat iedereen wel denkt te beheersen. Al die factoren zijn terug te voeren op één probleem, dat paradoxaal genoeg tegelijk ook de kracht van het vertalen uitmaakt: de grote moeilijkheid om in de vertaling de eigen artistieke bijdrage van de vertaler te onderscheiden (want de vertaling ís die bijdrage).

Toch dient een vertaler volgens de auteurswet te worden beschouwd als auteur van zijn vertaling, met alle implicaties van dien. Bijvoorbeeld: hij mag zich verzetten tegen wijzigingen, en er mag niet uit het werk worden geciteerd zonder dat zijn naam wordt vermeld. Het is veelzeggend dat die twee onvervreemdbare rechten dagelijks met voeten worden getreden door alle mogelijke partijen: uitgevers die vertalingen eigenmachtig bewerken, programmamakers die hele lappen tekst gebruiken zonder de vertaler te noemen, recensenten die lijken te denken dat het boek zichzelf heeft vertaald, en ga zo maar door.

De mate van zichtbaarheid van de vertaler als ‘auteur’ is rechtstreeks bepalend voor de culturele en financiële waardering die hij voor zijn werk krijgt, die zelf weer bepalend is voor de kwaliteit die hij kan leveren: hoe meer waardering, hoe meer eisen hij kan stellen, en hoe hoger de kwaliteit. Hogere kwaliteit leidt op haar beurt weer tot meer waardering, en zo blijkt de vertaler gevangen in een vicieuze cirkel die maar moeilijk te doorbreken valt – in elk geval niet van binnenuit, en al helemaal niet met behulp van ‘marktwerking’: gezien de huidige onzichtbaarheid van de vertaler kan vrije concurrentie alleen maar leiden tot nog meer kwaliteitsverlies.

Ter illustratie: vertalers van niet-literaire boekengenres, die moeten werken tegen marktconforme tarieven, verdienen ondanks absurde werkweken maar net genoeg om van rond te komen. Dat Nederland desondanks terecht geldt als het vertaalparadijs van Europa, is te danken aan twee dingen: het tussen de marktpartijen overeengekomen minimumtarief voor literaire vertalingen, en de aanvulling die het Fonds voor de Letteren daarop geeft bij hoogwaardige vertaalprojecten. De vraag is alleen hoe lang dat paradijs nog kan standhouden, want onlangs besloot de concurrentiewaakhond NMa het minimumtarief te verbieden. Het besluit is nog niet definitief, maar de gevolgen voor de kwaliteit zouden wel eens funest kunnen zijn.

Inderdaad zijn er al uitgevers met een beroep op het NMa-besluit onder het minimum gedoken. Economisch gezien is dat begrijpelijk: het publiek vindt boeken te duur en koopt liever goedkope, slecht vertaalde boeken dan dure, goed vertaalde boeken. Gelukkig zijn er nog altijd uitgevers die beseffen dat er ook zoiets als cultureel kapitaal bestaat, en die de vertaler daarin betrekken, bijvoorbeeld door zijn naam op het omslag te zetten. Maar zelfs in het recente Letterenmanifest (opgesteld door de gezamenlijke commerciële en niet-commerciële partijen in het literaire veld), waarin vertalingen een belangrijke rol wordt toebedacht als raam op de wereld, blijft het vertalen zelf buiten beeld.

Zo beschouwd rust er een zware verantwoordelijkheid op de schouders van de literaire kritiek. Alleen zij kan de vicieuze cirkel van de onzichtbaarheid werkelijk doorbreken, want alleen zij bezit de onafhankelijkheid, de kennis van zaken en de invloed om de markt onder druk te kunnen zetten met literair-inhoudelijke argumenten. Zij is het aan haar aard verplicht die markt kritisch te volgen, en dient dus niet verbaasd of verontwaardigd te zijn als de vertaling van een belangrijk boek ‘pas’ zes maanden na het origineel verschijnt, maar zo’n vertaling op gepaste wijze te ontvangen: door het erin vervatte leesvoorstel te expliciteren en te beoordelen.

Vertalingen zijn niet alleen maar ‘soepel’ of ‘stroef’, ze vormen geen toegevoegd laagje dat de leessnelheid bevordert dan wel afremt, en dat je desgewenst kunt verwijderen. De lezer die dat beseft, bewijst de literatuur een grote dienst. En: hij geniet zoveel meer.

[de Volkskrant, 2 februari 2007, © Martin de Haan]

Print Friendly
Categorie: Essays MdH | Thema: vertalen, vertaler | Permalink |

Reacties zijn gesloten.