Stéphane Mallarmé, ‘De wondervrouw van morgen’

Een bleke lucht, boven de wereld die aan verval ten onder gaat, trekt misschien heen met de wolken: flarden versleten zonsondergangpurper kleuren een rivier die slaapt aan de door lichtstralen en water verzwolgen einder. De bomen vervelen zich en onder hun bladeren die vaal zijn geworden (door het stof van de tijd eerder dan door dat van de wegen) rijst de tent van de Vertoner van Voorbije Dingen; menige straatlantaarn wacht op de schemering en beschijnt de gezichten van een onzalige, door onvergankelijke ziekte en eeuwenoude zonde verslagen menigte, mannen naast hun verneutelde wederhelften, die zwanger zijn van de ellendige vruchten waarmee de aarde zal vergaan. In de angstige stilte van alle blikken, smekend gericht tot de zon die, ginds, met de wanhoop van een schreeuw onder water verdwijnt, klinkt aldus het simpele verkooppraatje: ‘Een uithangbord dat jullie op het schouwspel binnenin trakteert is er niet, want geen schilder kan daar tegenwoordig ook maar een armzalige afschaduwing van geven. Ik breng jullie, levend (en dank zij de oppermachtige wetenschap door de jaren heen ongeschonden bewaard), een Vrouw van vroeger. Een dwaze hartstocht, oorspronkelijk en naïef, een gouden extase, een God weet wat! dat zij haar lokken noemt, omplooit met de gratie van gewaden een gezicht dat feller straalt door de bloedrode naaktheid van haar lippen. Geen ijdele kleding heeft zij, maar een lichaam; en haar ogen, aan edelstenen gelijk, wegen niet op tegen de blik die van haar gelukkige vlees uitgaat: vanaf de borsten, opgericht als waren ze vol van eeuwige melk, de tepel hemelwaarts priemend, tot aan de gladde benen, die het zout van de oerzee bewaren.’ De mannen, denkend aan hun arme echtgenotes, hoe kaal, ziekelijk en afgrijzenwekkend zij zijn, dringen naar voren; en ook de vrouwen willen zien, uit nieuwsgierigheid, weemoedig.

Wanneer allen een blik hebben geworpen op het nobele schepsel, overblijfsel van een reeds verdoemd tijdperk, zullen ze elkaar aankijken, sommigen onverschillig, want ze zullen niet tot begrip in staat zijn geweest, maar anderen hevig aangedaan en met de oogleden vochtig van lijdzame tranen; intussen zullen de dichters uit die toekomstige tijden in hun doffe ogen een licht voelen aangaan en heensluipen naar hun lamp, een ogenblik dronken van schimmige glorie, in de ban van het Ritme en vergetend dat ze leven in een tijd die na de dood van de schoonheid voortbestaat.

[Stéphane Mallarmé, ‘Le phénomène futur’, in: Poëmes en prose (1875), vertaling Rokus Hofstede, Raster 122, 2007]

Print Friendly
Categorie: Vertalingen RH | Thema: Mallarmé | Permalink |

Reacties zijn gesloten.