Eén vrouw is haar geliefde trouw

Een spons. Misschien is dat wel het beste beeld om Denis Diderot mee te typeren. Een wandelende spons die alles om zich heen in zich opzuigt en het weer uitspuwt zodra er pen en papier in de buurt zijn.

Het beeld is grotesk, maar dat is Diderot zelf ook. Tussen het opzuigen en het uitspuwen zit namelijk nog een derde fase, het verwerken, en juist die derde fase bepaalt hoe de opgeslorpte wereld uit de pen van de schrijver vloeit: in grillige, onvoorspelbare stromen, die elkaar raken op punten die voorheen ver uit elkaar leken te liggen. De wereld wordt herschikt: binnen wordt buiten, onder wordt boven, en zoals altijd gaat die bevrijdende herschikking gepaard met een heldere schaterlach. Diderot is niet alleen de meest encyclopedische en subversieve schrijver van de Franse achttiende eeuw, maar ook de vrolijkste.

Die universele belangstelling van Diderot blijkt natuurlijk al uit de beroemde Encyclopédie die hij samen met de wiskundige D’Alembert maakte, maar grillig en onvoorspelbaar wordt het pas echt in zijn eigen werk. Zo grillig zelfs, dat hij zijn grootste en meest gewaagde teksten maar liever in een laatje bewaarde voor ‘het nageslacht’. Jacques de fatalist en zijn meester, De neef van Rameau, De droom van D’Alembert: allemaal boeken die hun tijd ver vooruit waren, en die pas in de 20ste eeuw een publiek zouden vinden. Toch, en dat is het paradoxale, zijn het ook allemaal boeken die alleen in de 18de eeuw geschreven konden worden, sterker nog: die van die eeuw doordrenkt zijn. Diderot, de spons.

Ook in zijn vroege werk is hij dat al. Een mooi voorbeeld is zijn eerste roman, Les Bijoux indiscrets, zojuist in vertaling verschenen als De loslippige sieraden. Op het eerste gezicht heeft het boek, een erotisch sprookje dat zich afspeelt in het Kongo van sultan Mangogul, weinig te maken met het Frankrijk van 1748, maar algauw slaat de schrijver de realistische illusie met veel plezier aan diggelen. Niet alleen wordt vrijwel direct duidelijk dat we met een sleutelroman van doen hebben, met Lodewijk XV vermomd als Mangogul en Madame de Pompadour als diens favoriete bijzit Mirzoza, het boek wemelt ook van de verwijzingen naar de Franse literatuur- en cultuurgeschiedenis, ditmaal zonder enige vermomming: ook de sleutelroman zelf gaat aan diggelen.

Het verhaaltje is even eenvoudig als amusant. Sultan Mangogul, die zich zelfs in het bijzijn van de lieftallige Mirzoza begint te vervelen, vraagt de genius Cucufa om raad en krijgt van hem een ring waarmee hij de ‘sieraden’ die vrouwen tussen hun benen dragen kan uithoren. Zodra hij de ring op zo’n sieraad richt wordt het ‘loslippig’, het begint te vertellen wat het heeft gedaan en met wie, en natuurlijk zetten die onvrijwillige erotische confidenties het hele hof op zijn kop. Uiteindelijk blijkt maar één vrouw haar geliefde trouw: Mirzoza.

Maar Diderot zou Diderot niet zijn als hij niet allerlei essayistische zijpaden zou bewandelen, die de roman doen sprankelen en hem behoeden voor monotonie. In zijn latere werk zou het onderscheid tussen hoofdlijn en uitweiding zelfs helemaal wegvallen: alles wordt opgenomen in één grote maalstroom. Dat is hier nog niet het geval, maar duidelijk is dat Diderot zich juist in de vele uitweidingen het best in zijn element voelt. Een uitgesponnen vergelijking tussen de componisten Lully en Rameau, een hilarische kenschets van de denkers Descartes en Newton, een subtiel betoog over oude en nieuwe literatuur: waar Diderot ook over schrijft, altijd bruist het van het leven.

Dat alles is door de debuterende vertaalster Tatjana Daan knap omgezet in het Nederlands. Een bezwaar zou kunnen zijn dat de registers nogal heen en weer schommelen tussen stijf-archaïserend en vlot-spreektalig, maar eigenlijk past die onvastheid (waarvan in het Frans geen sprake is) wel bij het boek: de satirische tegenstelling tussen schone schijn en verborgen platvloersheid van het hofleven wordt er alleen nog maar door versterkt.

Behalve in omvang is De loslippige sieraden zeker niet Diderots ‘grootste romanwerk’, zoals René Puthaar in zijn nawoord stelt. Toch is het goed dat er na ruim 250 jaar eindelijk een Nederlandse vertaling van is verschenen, na Jacques de fatalist de tweede Diderot in korte tijd bij deze uitgever. Het wachten is nu op dat andere meesterwerk, De neef van Rameau.

  • Denis Diderot, De loslippige sieraden, vertaling Tatjana Daan, nawoord René Puthaar. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2008.

[de Volkskrant, 20 juni 2008, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email
Categorie: Recensies MdH | Thema: Diderot | Permalink |

Reacties zijn gesloten.