‘Mijn gedachten, dat zijn mijn hoertjes’: het bewegende denken van Denis Diderot

Een corpulente reus met een stentorstem, altijd aan het woord, druk gesticulerend: wie zich een idee wil vormen van de indruk die Denis Diderot op zijn tijdgenoten moet hebben gemaakt, doet er allereerst goed aan te beseffen dat deze bruisende Bourgondiër iemand was die je moeilijk over het hoofd kon zien. Met zijn 1 meter 80 stak hij zo’n vijftien centimeter boven de gemiddelde Franse man uit, en ook in de breedte en de diepte waren zijn proporties indrukwekkend; als zo iemand met veel overtuigingskracht op je in buldert wil je wel aannemen dat er belangwekkende dingen worden gezegd. Hoewel enige afstand soms geboden is: Catharina de Grote moest naar verluidt een tafeltje tussen hen in laten zetten omdat Diderot haar in het vuur van zijn betoog wat al te vaak op de keizerlijke dijen sloeg.

Dat beeld van de Filosoof (zoals hij zichzelf graag noemde) als grote prater zien we ook in zijn werk meteen terug. Veel van zijn boeken hebben de vorm van een dialoog, andere zijn in een losse briefvorm geschreven, en ook in zijn overige werk springt hij voortdurend van de hak op de tak. ‘De grote waarde, de grote originaliteit van Diderot is dat hij in het ernstige, ordelijke boekenproza de onstuimigheid, de springerigheid, de ietwat dolle wanorde, het rumoer en het koortsachtige leven van de conversatie heeft geïntroduceerd,’ schrijven de gebroeders Goncourt een eeuw later, in een tijd die Diderot niet bijster welgezind was: de lichtheid en zwierigheid van de Franse achttiende eeuw hadden inmiddels plaatsgemaakt voor ernst en wetenschappelijke gestrengheid.

Toch doet dat beeld van Diderot als spontane, chaotische denker en schrijver hem niet volledig recht, hoezeer hij het zelf ook cultiveert. Dezelfde man die in zijn boeken de indruk wekt nooit precies te weten waar hij heen gaat, conform de les van zijn reisroman Jacques de fatalist (‘Weet een mens waar hij heen gaat?’), was ordelijk en zakelijk genoeg om twintig jaar lang leiding te geven aan een van de grootste uitgeefprojecten van zijn tijd. De Encyclopédie of Dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers, oorspronkelijk bedoeld als vertaling van de tweedelige Cyclopaedia van Ephraim Chambers (Londen, 1728), groeide onder het directeurschap van Diderot uit tot een enorme onderneming, met als uiteindelijke oogst zeventien delen tekst en elf delen illustraties, waar later nog eens zeven delen supplement met illustraties en registers aan werden toegevoegd.

Ook uit de manier waarop Diderot met zijn ongepubliceerde manuscripten omging, blijkt dat hij allerminst het ongeleide projectiel was waar de negentiende eeuw hem voor aanzag. Niet alleen bewaarde hij zijn belangrijkste en meest experimentele teksten – o.a. De droom van d’Alembert, De neef van Rameau en Jacques de fatalist – zorgvuldig in zijn bureaula omdat de publicatie hem in grote problemen zou kunnen brengen en omdat hij besefte dat ze bij het nageslacht in betere handen zouden zijn, hij bleef die ongepubliceerde meesterwerken ook voortdurend bijschaven. Het feit dat hij geen coherent filosofisch ‘systeem’ heeft uitgewerkt, betekent allerminst dat hij maar wat aanrommelde. Diderots werk is net als dat van bijvoorbeeld Montaigne of Nietzsche een voorbeeld van een bewegend denken: een denken dat weigert het concrete van de afgelegde weg op te offeren aan de abstractie van het eindpunt (dat óók maar een tussenstop is).

Daarmee bevindt hij zich haast vanzelfsprekend op de grens van filosofie en literatuur, twee disciplines die in de Europese traditie – denk aan Plato’s verbanning van de dichters uit zijn ideale Staat – op zijn zachtst gezegd op gespannen voet met elkaar staan. Voor de filosofie, die zich van oudsher bezighoudt met het kennen en in woorden vangen van de waarheid, is de literatuur vaak een bedreiging, het medium van onwaarheid en verleiding. ‘Comparaison n’est pas raison,’ zegt het Frans: beeldspraak is bedrog. Diderot zou een van die zeldzame figuren kunnen zijn bij wie de twee disciplines een gelukkig huwelijk aangaan of zelfs naadloos in elkaar overvloeien. Niet omdat de filosofie zich in een literaire gedaante hult of de literatuur zich in dienst van de waarheid stelt, maar omdat de relevantie van het onderscheid domweg verdwijnt in de beweging van de tekst.

Het is bij Diderot dan ook onmogelijk om een scherp onderscheid tussen ‘literaire’ en ‘filosofische’ werken te maken, ook al bevat de recentste Pléiade-editie één deel Contes et romans en één deel Oeuvres philosophiques. Neem Jacques de fatalist, een boek dat traditioneel als ‘roman’ wordt betiteld (hijzelf noemt het een ‘conte’, een vertelling): al in de titel verschijnt een bij uitstek filosofisch begrip, dat inderdaad als een rode draad door het hele boek loopt, maar zonder er een klassiek filosofisch vertoog van te maken. Diderot confronteert zijn lezer niet van buiten- of bovenaf met de paradox van het determinisme, maar van binnenuit. Jacques, de knecht die beweert dat ‘alles wat ons hier beneden overkomt, daar boven geschreven staat’, is tegelijk ook zijn meesters meester door de moed en besluitvaardigheid waarmee hij de wereld tegemoet treedt: als alles gedetermineerd is, kunnen we ons volkomen vrij voelen.

Maar precies hetzelfde gebeurt in een doorgaans als ‘filosofisch’ bestempelde tekst als De droom van d’Alembert. Ook daarin wordt de lezer meegevoerd in een vertelling waarin een filosofisch vraagstuk centraal staat, zonder dat die vertelling ontaardt in een simpele illustratie van dat vraagstuk: de tijdsfactor wordt niet overstegen, er is geen finaal inzicht waarvan de lezer moet worden doordrongen, zoals in de dialogen van Plato (waarin de drammerige superman Socrates altijd wint). De waarheid ligt in de beweging zelf, die dit keer draait rond een ander klassiek probleem: waarin schuilt onze identiteit? De personages van de dialoog (Diderot, d’Alembert, diens maîtresse en dokter Bordeu) proberen met behulp van vergelijkingen grip te krijgen op het onderwerp, want zo werkt de taal: het vreemde kan alleen worden geformuleerd in termen van het bekende. Comparaison est raison.

Op die grenslijn van filosofie en literatuur stond Diderot in zijn tijd zeker niet alleen. De oudste van de philosophes, Montesquieu, had de twee disciplines met zijn Perzische brieven (1721) al stevig aan elkaar geklonken, en Voltaire, de ongekroonde koning van de 18de-eeuwse Franse letteren, nam het stokje gretig van hem over: zijn ‘contes philosophiques’ bevinden zich net als het werk van Diderot ergens in niemandsland, al draaien ze veel meer om de boodschap die de lezer moet worden bijgebracht. Ook Diderots aanvankelijke boezemvriend en latere vijand Rousseau is een begenadigd literator én filosoof, maar hij houdt de twee veel duidelijker gescheiden. De starheid van een Rousseau die op alle mogelijke terreinen zijn gelijk wil halen is ongetwijfeld een van de grote oorzaken geweest van zijn breuk met een Diderot voor wie beweging alles is – en die, dat moet gezegd, ook weinig moeite doet om zijn vriend te behouden.

Van alle grote 18de-eeuwse Franse denkers is Diderot overigens de enige die zich ontwikkelt tot een radicaal atheïst. Als zoon van een messenmaker uit Langres was hij naar familiegewoonte aanvankelijk voorbestemd tot een loopbaan als geestelijke, maar na zijn studies theologie en rechten in Parijs keert hij zich van de Kerk af en leidt het leven van een bohémien. Zijn eerste boek, de Filosofische principes uit 1746, volgt in zijn deïsme (de overtuiging dat God de wereld in beweging heeft gezet en zich daarna heeft teruggetrokken) nog duidelijk de lijn van Voltaire, maar drie jaar later, in de Brief over de blinden, neemt hij al een openlijk atheïstisch standpunt in.

Uiteindelijk valt Diderots filosofische positie misschien het beste samen te vatten als ‘biologisch materialisme’, zoals zijn biograaf Laurent Versini het noemt. Niet God of de ziel zet de materie in beweging, maar die materie zelf, die ook in haar kleinste deeltjes al beweging bevat – die soms alleen wordt tegengehouden door externe obstakels en pas vrijkomt als die obstakels worden weggenomen. In De droom van d’Alembert, Diderots meest gewaagde en visionaire werk, wordt dat idee bij wijze van verbeeldingsexperiment steeds verder uitgediept door de vrolijk keuvelende personages, en de eenentwintigste-eeuwse lezer valt van zijn stoel van verbazing: evolutietheorie, moleculaire biologie, atoomtheorie, Diderot lijkt het allemaal al aan te kondigen. In werkelijkheid doet hij weinig meer dan de recente ontdekkingen van de verschillende natuurwetenschappen bij elkaar brengen, waar hij door de Encyclopédie als geen ander van op de hoogte was. Niet Diderot kondigt de moderne wetenschap aan, de hele achttiende eeuw met zijn kritische onderzoeksgeest doet dat.

Toch is er iets bijzonders aan de hand tussen Diderot en hen die na hem komen. In een beroemde briefwisseling met de beeldhouwer Falconet over het onderwerp benadrukt hij hoezeer hij zijn hoop heeft gevestigd op het nageslacht, wat overigens niet zo heel vreemd is voor iemand die zijn grootste werken nooit heeft gepubliceerd. De waardering van tijdgenoten is volgens Diderot nooit belangeloos, het troost hem daarentegen om in de verte de zachte fluitmuziek van toekomstige bewonderaars te horen. En die bewonderaars heeft hij gekregen: in de negentiende eeuw zagen Hegel en Marx hem als de directe voorloper van de dialectiek en het historische materialisme (zijn werk is op grote schaal vertaald in het communistische Oost-Duitsland), en in de twintigste eeuw werd hij bejubeld om zijn experimentele romantechniek, waarmee hij de grote modernisten en de Nouveau Roman aankondigt.

Dat laatste is achteraf gezien zeker juist, maar Diderot besefte als geen ander dat de geschiedenis geen doel heeft. Alles hangt van het toeval af – dat wil zeggen van de bijzondere, nooit te voorspellen en zelfs nooit volledig te reconstrueren samenloop van omstandigheden die noodzakelijkerwijs een bepaalde gebeurtenis voortbrengt: ook de chaostheorie is bij Diderot niet ver weg. Biologische soorten komen en gaan, op Saturnus zou de mens er heel anders hebben uitgezien en dus geen mens zijn geweest, en op dezelfde manier is de ene denker of schrijver ook nooit een voorloper van de andere, maar eerder een zaadje dat in de toekomst al dan niet kan ontkiemen, afhankelijk van de voedingsbodem. Milan Kundera, auteur van een ‘hommage aan Diderot in drie bedrijven’ (het toneelstuk Jacques en zijn meester), constateert terecht dat de experimentele twintigste eeuw in veel opzichten teruggreep naar de lichtvoetige achttiende eeuw, maar noodzakelijk was dat allerminst. Diderot heeft geluk gehad.

De filosofische nalatenschap van de Filosoof is driehonderd jaar na zijn geboorte inmiddels wat op de achtergrond geraakt. De filosofologen zullen hem op hun vogelvlucht door de filosofiegeschiedenis niet gauw meer opmerken, of het moet zijn vanwege zijn betrokkenheid bij de Encyclopédie – en misschien wel met een volstrekt verkeerd beeld van die onderneming, want wie daarin een aanzet tot de doodserieuze Cultus van de Rede ziet, miskent het ironische spel dat de Encyclopedisten spelen met de heersende machten van Kerk en Staat. Neem het lemma ‘Adelaar’: ‘Gelukkig het volk dat van de godsdienst enkel ware, sublieme en heilige dingen hoeft te geloven en enkel goede daden hoeft na te bootsen. Zo’n godsdienst is de onze, waarin de filosoof alleen maar zijn verstand hoeft te volgen om bij het altaar uit te komen.’

Dat schrijft de man die door het volgen van zijn verstand én zijn passies het altaar ver achter zich heeft gelaten. Hijzelf leeft als Filosoof misschien vooral voort als personage in een paar van zijn beste werken, met name De neef van Rameau, waarin hij zichzelf ironisch neerzet als de rationele, lichtelijk bekrompen tegenspeler van de al even fictieve (maar ook op een historische figuur gebaseerde) neef van de componist Rameau, een vrijbuiter van het soort dat wij tegenwoordig anarchist zouden noemen. En natuurlijk schuilt de ware Diderot in de combinatie van de twee. Niet omdat, zoals wel is geopperd, de twee personages twee conflicterende (en dus statische) kanten van de schrijver vertegenwoordigen, maar omdat ze de dynamiek van een bewegend denken verbeelden. ‘Mijn gedachten, dat zijn mijn hoertjes,’ heet het aan het begin van de Neef.

Op 31 juli 1784 gaat Diderot, zeventig jaar oud, na een zoals altijd geanimeerd gesprek met zijn vriend d’Holbach vrolijk aan tafel voor een stevige warme lunch. Tot besluit neemt hij een abrikoos. Hij kucht even, zijn vrouw vraagt hem iets, hij geeft geen antwoord. De Filosoof is dood, het leven van zijn werk kan beginnen.

[verschenen in Filosofie magazine, januari 2014, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email
Categorie: Essays MdH | Thema: Diderot | Permalink |

Reacties zijn gesloten.