Hondstrouwe vertaalvrijheid: de Anna Karenina van Hans Boland

Ongelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar een gelukkig gezin is dat altijd op zijn eigen manier.

Er bestaan geen statistieken van, maar de kans dat bovenstaande zin bij de gemiddelde hoger opgeleide Nederlander wel ergens een belletje doet rinkelen, lijkt me behoorlijk groot. Een flink stuk lager schat ik de kans in dat diezelfde Nederlander meteen beseft dat dit de beginzin van Anna Karenina is, en dan ook nog in een verminkte vorm. De termen zijn voor deze speciale gelegenheid namelijk omgedraaid: volgens Tolstoj (of diens verteller) lijken juist gelukkige gezinnen allemaal op elkaar en neemt alleen ongeluk individuele trekken aan.

Laat ik maar eens een stelling wagen. Iconische zinnen, zoals de beginzin van Anne Karenina er bij uitstek een is, zijn te herkennen aan het feit dat ze 1) tot de algemene culturele bagage zijn gaan behoren, ook voor wie het boek in kwestie niet heeft gelezen, en 2) in zekere zin betekenisloos zijn geworden, omdat hun betekenis wordt overstraald door hun beroemdheid en de blinde adoratie waarmee die vaak gepaard gaat. De zin van Tolstoj – of Tolstoi, in de transcriptie van de nieuwste Anna Karenina-vertaler, Hans Boland – is een extra mooi voorbeeld van die regel omdat de erin vervatte waarheid eigenlijk ‘pure onzin’ is, zoals Boland recht voor zijn raap constateert in een heerlijk opstel dat hij tegelijk met zijn vertaling uitbrengt. Immers, ‘je zou het met evenveel recht kunnen omdraaien.’ Zo gezegd, zo gedaan.

Niet alle grote boeken hebben een iconische beginzin, maar een tamelijk willekeurig lijstje is snel gemaakt. Moby Dick: ‘Call me Ishmael’ (door Paul Smaïl hilarisch verbasterd tot ‘Appelez-moi Smaïl’). Nooit meer slapen: ‘De portier was een invalide.’ Kafka’s Der Prozess: ‘Jemand mußte Josef K. verleumdet haben, denn ohne daß er etwas Böses getan hätte, wurde er eines Morgens verhaftet.’ Dantes Divina Commedia, een halve zin: ‘Nel mezzo del cammin di nostra vita…’ De Max Havelaar: ‘Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht, n˚ 37.’ Don Quichot, in het Nederlands: ‘In een dorpje van de Mancha, waarvan ik mij de naam niet wens te herinneren…’ En Proust natuurlijk: ‘Longtemps, je me suis couché de bonne heure.’

Met die laatste zin hebben Rokus Hofstede en ik als vertalers van Du côté de chez Swann het nodige te stellen gehad, juist vanwege het iconische karakter ervan. Geef de fetisjisten maar eens de kost die eigenlijk alleen een woordelijke vertaling van die zin nog net kunnen pruimen, hoewel die in ons armoedige poldertaaltje natuurlijk nooit zo welluidend en betekenisvol kan zijn als in het veel rijkere Frans: ‘Lange tijd ben ik vroeg gaan slapen.’ Die vertaling dekt inderdaad elk afzonderlijk betekeniselement één op één, alleen zou geen Nederlander of Vlaming dit ooit spontaan zo zeggen. Om de volstrekte onnadrukkelijkheid van de Franse zin recht te doen zonder verlies van betekenis, en met behoud van het belangrijke woordje ‘tijd’, kwamen wij uiteindelijk tot iets heel anders: ‘Er is een tijd geweest dat ik vroeg naar bed ging.’ Of dat ooit een iconische status zal krijgen, moeten we maar afwachten.

Het vertalen, en opnieuw vertalen, van zulke beroemde zinnen heeft iets van heiligschennis. De woorden die we allemaal kennen worden andere woorden, de zin lijkt zichzelf niet meer en mag alleen maar hopen dat hij als een feniks weer zal oprijzen uit zijn as. Barber van de Pol, die zowel Don Quichot als Moby Dick opnieuw heeft vertaald, weet als geen ander hoe dat ontroestingsproces in zijn werk gaat. Haar ‘Call me Ishmael’ werd doodleuk ‘Zeg maar Ismaël’, en bij Cervantes werd de even prachtige als idiote zinsnede ‘waarvan ik mij de naam niet wens te herinneren’ door haar vrijmoedige vertalershand bijgesteld tot ‘waarvan de naam mij niet te binnen wil schieten’, wat inderdaad de betekenis is die men er volgens mijn informanten ook op het Iberisch schiereiland in leest. Toch jammer van die mooie iconische zin.

Ook Hans Boland, winnaar van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs en weigeraar van de Poesjkin-(Poetin-)medaille, is niet te bang om in zijn vertalingen wat heilige huisjes omver te schoppen, lees: de tekst te ontdoen van het patina dat zich in de loop der jaren heeft gevormd. Of eigenlijk niet te ontdoen, want elke nieuwe vertaling is een nieuwe tekst. Boland gaat in zijn opstel, Hij kan me de bout hachelen met zijn vorstendommetje, behoorlijk ver in zijn kritiek op zijn voorgangers: ‘Het is geen wonder dat Anna Karenina in Nederland nooit werd wat het in de ons omringende landen is geworden: de mooiste roman van de negentiende eeuw. Daarvoor zijn de vertalingen te houterig, en dat houden weinig lezers duizend pagina’s lang vol.’

De mooiste roman van de negentiende eeuw is natuurlijk Madame Bovary, maar dat is niet de kwestie. Los van alle bravoure staat Boland voor een manier van vertalen die het best te omschrijven valt als trouw door creatieve vrijheid, en daar valt heel wat voor te zeggen. Neem zijn versie van de beroemde beginzin. Waar zijn voorgangers (Wils Huisman en Lourens Reedijk) keurig de Russische volgorde aanhielden en kozen voor ‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar’, laat Boland de zin een stuk Nederlandser en tegelijk wat minder wiskundig-apodictisch klinken: ‘Gelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar een ongelukkig gezin is altijd ongelukkig op zijn eigen manier.’ Dat is trouw door vrijheid, want de constructie met ‘allemaal’ bestaat in het Russisch niet, en juist door het Russisch los te laten komt de vertaler tot de betere oplossing: afstand nemen om dichterbij te komen.

En zo gaat het duizend bladzijden lang, op alle mogelijke taalniveaus. Het begint al met het ‘vervelende gehannes met onleesbare namen’, zoals Boland het noemt: in plaats van Stepan Arkadjitsj en Aleksej Aleksandrovitsj heten de personages nu Oblonski en Karenin, kort en krachtig op zijn Nederlands bij de achternaam. Dat schept ruimte voor het echte lezen. Maar in zijn trouwe vrijheid gaat Boland veel verder. Al meteen in de eerste alinea (zie kadertje) zuigt hij de lezer het Nederlands taaleigen in, met spreektalige uitdrukkingen als ‘op zijn kop staan’, ‘niet weten waar je het moet zoeken’ en ‘je neus laten zien’ en vlotte woorden als ‘gedoe’, ‘overhoop liggen’ en ‘nota bene’.

Is dat nog Tolstoi, of is dat zuivere Boland? Ik ben het Russisch niet machtig en kan dus over de taalregisters van Tolstoj geen oordeel vellen, maar uiteindelijk gaat het daar niet eens om. Wat we lezen is de Nederlandse Anna Karenina die Hans Boland als mogelijkheid door de Russische tekst heen heeft zien schijnen, dat wil zeggen een uitvoering van een interpretatie – waarover uiteraard te twisten valt, maar uitsluitend in esthetische termen (want met Bolands technische vakmanschap is niets mis, integendeel). Ik zou bijvoorbeeld weleens beter willen kijken naar de manier waarop deze vertaling omgaat met woordherhalingen: bij Reedijk wordt het motiefje ‘de leden van het gezin en het personeel’ in de eerste alinea drie keer gebruikt, terwijl Boland zich beperkt tot twee synoniemen. Valt de typisch tolstojaanse ironie daardoor niet weg?

Dat deze nieuwe vertaling leest als de trein waaronder de heldin zich te pletter werpt, zou een te makkelijke inkopper zijn, en ver beneden de waarheid. Wat Boland heeft gepresteerd, staat op hetzelfde niveau als bijvoorbeeld de Madame Bovary van Hans van Pinxteren (en Flaubert): deze Anna Karenina heeft alles in zich om uit te groeien tot een iconische tekst. In ons rijke poldertaaltje.

[Verschenen in de Volkskrant, 28 januari 2017]

  • Lev Tolstoi, Anna Karenina. Vertaald uit het Russisch en van een nawoord voorzien door Hans Boland. Athenaeum–Polak & Van Gennep (Perpetua Reeks), ISBN 978 90 253 0158 3.
  • Hans Boland, Hij kan me de bout hachelen met zijn vorstendommetje. Over Anna Karenina en de kunst van het vertalen. Pegasus, ISBN 978 90 6143 430 1.

 

Print Friendly, PDF & Email
Categorie: Essays MdH, Recensies MdH | Thema: Tolstoj | Permalink |

Reacties zijn gesloten.