Waaghals, oorlogsheld, brokkenpiloot: Antoine de Saint-Exupéry  

Weinig boeken spreken zozeer tot de algemeen-kinderlijke verbeelding. Sterker nog, geen enkel boek behalve de Bijbel is in zoveel talen en dialecten vertaald (ongeveer 300, waaronder Chaucer’s English en Drents) en zo vaak over de toonbank gegaan (ongeveer 150 miljoen keer). Niet Dan Brown, Agatha Christie of J.K. Rowling is verantwoordelijk voor dat commerciële huzarenstukje, maar Antoine de Saint-Exupéry, wiens naam waarschijnlijk voorgoed verbonden zal blijven aan dat ene boekje: Le Petit Prince – oftewel De kleine prins, zoals de titel van de recente Drentse vertaling luidt.

Veel heeft het verhaal niet om het lijf, maar het is dan ook een sprookje. Een naamloze kleine prins komt na wat planet hopping op Aarde terecht en ontmoet daar de ik-persoon, een piloot die met motorpech midden in de Sahara staat en zijn vliegmachien weer aan de praat probeert te krijgen. De prins vertelt over zijn wederwaardigheden, en vooral ook over vriendschap: die ontstaat, zo legt hij uit, als je elkaar getemd hebt en daardoor volstrekt onvervangbaar voor elkaar bent geworden. Hijzelf heeft die wijsheid geleerd van een vos waarmee hij bevriend is geraakt, tot zijn grote tevredenheid: ‘Het is goed om een vriend te hebben gehad, zelfs als je doodgaat.’

Het is de bekende les van De drie musketiers: kameraadschap telt zwaarder dan het leven. Makkelijk gezegd, moeilijk gedaan, in een tijd waarin het aristocratische begrip ‘eer’ heeft plaatsgemaakt voor het grootburgerlijke begrip ‘winst’. Maar Antoine de Saint-Exupéry, telg uit een roemrijk adellijk geslacht, houdt niet van loze kreten. Als er één ding is dat zijn leven met zijn literaire werk verbindt, is het wel de niet-aflatende ­Feyenoordmoraal: geen woorden, maar daden. De man die zelf als vliegenier ook meerdere malen midden in de woestijn belandde, weet waarover hij het heeft wanneer hij de ik-persoon van De kleine prins bijna laat omkomen van de dorst.

Zijn leven is zelfs verfilmd, met in de hoofdrol ironisch genoeg dezelfde Bruno Ganz die in Der Untergang ook Adolf Hitler zo overtuigend heeft neergezet: het icoon van de Franse luchtstrijdkrachten, als Siamese tweelingbroer één hoofd delend met het vleesgeworden Kwaad. Maar dat het leven van Saint-Ex, zoals hij in Frankrijk kortweg wordt genoemd, een verfilming waard was, staat buiten kijf: een betere avonturenroman had zelfs Alexandre Dumas niet kunnen verzinnen. Waaghals, oorlogsheld, brokkenpiloot, dat alles en nog veel meer was degene wiens nog jonge leven (hij was net 44 geworden) op volmaakt symbolische wijze ten einde kwam met een zweefduik in de Middellandse Zee.

Je zou haast vergeten dat hij ook nog schrijver was. Want Saint-Ex mag dan tegenwoordig vooral de auteur van dat ene sprookje zijn, met Vol de nuit (Nachtvlucht, 1931), Terre des hommes (Aarde der mensen, 1939) en Pilote de guerre (Oorlogsvlieger, 1942) schreef hij drie veelgeprezen, bekroonde én bestsellende boeken, naast wat kleiner grut. Boeken die allerminst een verheerlijking van het avontuurlijke vliegeniersbestaan behelzen, en die zich verre houden van het soort lekkerwegleeslectuur waar grote oplagen doorgaans synoniem mee zijn. Neem Terre des hommes, dat maandenlang de Amerikaanse bestsellerlijsten aanvoerde: een waar pak van Sjaalman, bestaand uit losse beschouwingen en autobiografische fragmenten.

Saint-Ex zag zichzelf niet als schrijver, en trouwens ook niet als vliegenier: beide hoedanigheden waren voortvloeisels van zijn levenshouding, niet meer en niet minder. Dat hij door collega-schrijvers als een schrijvende vliegenier en door collega-vliegeniers als een vliegende schrijver werd beschouwd, een buitenstaander dus, deerde hem weinig. Wat niet wegnam dat hij beide rollen met verve speelde – niet als beroep, maar uit passie en overtuiging. Geld gaf hij altijd sneller uit dan hij het verdiende, en het bestaan van Aarde der mensen hebben we louter te danken aan het bijzonder royale voorschot dat Saint-Ex van zijn Amerikaanse uitgevers kreeg aangeboden voor zijn volgende boek: om het bedrag te kunnen incasseren overhandigde hij hen zijn pak van Sjaalman, waarvan hij dacht dat ze het toch niet konden lezen, maar hij had buiten de waard gerekend: het pak werd door de aangezochte vertaler vakkundig tot boek gesmeed.

Blijkbaar beviel het resultaat de schrijver wel, want hij bracht de tekst ook in het Frans uit en gebruikte dezelfde associatieve compositietechniek voor zijn volgende boek, Oorlogsvlieger (in 1959 voor het eerst vertaald door onze eigen vlieger-schrijver, Adriaan Viruly, en onlangs opnieuw door Nele Ysebaert). Inmiddels was de Tweede Wereldoorlog uitgebroken, waarvan de actieve piloot Saint-Ex haarfijn het mechanisme ontleedt in een met abstracte beschouwingen vermengd verslag van een verkenningsvlucht over het bezette noorden van Frankrijk.

Wat hem vooral opvalt aan deze oorlog is dat het eigenlijk maar een karikatuur van een oorlog is. Iedereen doet wat je hoort te doen in oorlogstijd: dorpen worden eerst verdedigd, dan geëvacueerd en ten slotte verbrand, maar het is eigenlijk alleen maar om de spelregels van de oorlog in acht te nemen, want de oppermachtige vijand lacht erom. Zelfs de dood wordt symbolisch, zoals majoor Alias zijn manschappen uitlegt: ‘Jullie dood zal niets uithalen. De nederlaag is bezegeld. Maar een nederlaag behoort aan het licht te treden door doden. Het moet één grote droefenis zijn. Jullie hebben dienst om die rol te vervullen.’ En de manschappen gehoorzamen: ‘Goed, commandant.’

Vandaar ook de verkenningsvlucht naar Arras, waarvan iedereen weet dat die gezien de vijandelijke overmacht op zelfmoord neerkomt. In het verslag van de vlucht wordt dan ook elke vorm van heroïek vermeden. In plaats daarvan stelt Saint-Exupéry zich steeds weer de vraag wat hem en zijn tweekoppige bemanning bezielt om ondanks de zekere dood het zinloze bevel (met de resultaten van de verkenning zal hoe dan ook niets worden gedaan) toch uit te voeren.

Wie De kleine prins kent, weet het antwoord. Verbondenheid tussen mensen weegt zwaarder dan de dood. Zolang er verbondenheid is, is er iets wat hoop geeft en het verdedigen waard is. ‘Een individu,’ schrijft Saint-Ex, ‘dient zich op te offeren voor de redding van een gemeenschap, maar dat is geen stupide rekensom. Het gaat om de eerbied voor de Mens in het individu.’ En meermalen zet hij het beeld van de kathedraal af tegen dat van de hoop stenen: het één betekenisvol, meer dan de som van de delen, het ander verstoken van betekenis. Zien we de kathedraal niet, dan zijn we reddeloos verloren.

Een oubollige jongensboekmoraal? Zeker. Maar ook een bijzonder scherpe kritiek op het humanisme, dat met zijn verering van de Mens uiteindelijk elke afzonderlijke mens tot een kleine, zelfzuchtige godheid heeft gemaakt. Het is dezelfde maatschappijkritiek die ook bij latere ‘reactionair’ genoemde schrijvers als Frans Kellendonk en Michel Houellebecq te vinden valt – waardoor Saint-Exupéry in onze populistische tijden actueler is dan ooit.

Voor datzelfde populisme, dat hij ongetwijfeld zou zien als een wanhopige zoektocht naar verbondenheid en zingeving, bevat Oorlogsvlieger overigens een niet onbelangrijke waarschuwing: het vaderland (of de voetbalclub: alles wat verbindt) is niet iets statisch wat buiten ons bestaat en waarvoor we ons al dan niet sterk maken, maar iets levends wat we samen voeden en in ons meedragen. Een soort vriendschap. We zullen elkaar weer moeten temmen.

[Verschenen in de Volkskrant, 21 januari 2017]

  • Antoine de Saint-Exupéry, Oorlogsvlieger, vertaald door Nele Ysebaert. Van Oorschot, ISBN 9789028261587.
  • Virgil Tanase, Saint-Exupéry (biografie, Franstalig). Gallimard, ISBN 9782070447428.
Print Friendly, PDF & Email
Categorie: Essays MdH, Recensies MdH | Thema: Saint-Exupéry | Permalink |

Reacties zijn gesloten.