Geurenkannibaal met jeugdmond

Als een filosoof zich op het terrein van de literatuur waagt, kun je maar beter op het ergste voorbereid zijn. Het gevaar is immers levensgroot dat de roman of het toneelstuk in kwestie louter als illustratie van een filosofische these dient, wat voor een kunstwerk uiteraard een nogal twijfelachtige eer is. In het beste geval slaagt de literatuur erin zich te ontworstelen aan het haar opgedrongen keurslijf, maar meestal ontstijgt een dergelijk boek nauwelijks het niveau van een boodschappenbriefje, dat na gebruik kan worden weggegooid.

Net als zijn even oude collega-nouveau philosophe Bernard-Henri Levy schrijft Pascal Bruckner (1948) naast zijn beschouwende teksten ook romans, en niet zonder succes: zijn Lunes de fiel uit 1981 werd door Roman Polanski verfilmd als Bitter Moon, en voor zijn jongste roman Les Voleurs de beauté werd hem in 1997 de prestigieuze Prix Renaudot toegekend. Onder de wat merkwaardige titel De dieven van de schoonheid (De schoonheidsdieven zou meer voor de hand hebben gelegen) is het boek in het Nederlands verschenen als opvolger van het cultuurkritische essay De verleiding van de onschuld.

Als geëngageerd filosoof die ook romans schrijft, heeft Bruckner de schijn dus tegen zich. Dat wordt nog eens versterkt door zijn nogal ongenuanceerde kritiek op de ‘zieke Franse roman’, waarin volgens hem al sinds de Tweede Wereldoorlog te weinig aandacht aan de werkelijkheid, aan sociale conflicten wordt besteed – alsof dat het absolute criterium is waar je kunst op zou moeten beoordelen.

Het valt echter alleszins mee. Zoals te verwachten viel, speelt de hedendaagse sociale werkelijkheid inderdaad een grote rol in De dieven van de schoonheid, in de vorm van ingeslikte condooms met heroïne erin, clochards op ondergepoepte rivierkaden en walkmans die continu muziek van Bach reutelen. Maar zoals deze voorbeelden al aangeven, heeft Bruckner ook oog voor de komische kant van de rauwe werkelijkheid, en hij beschikt over voldoende verbeeldingskracht om niet te blijven steken in een voorspelbare aanklacht tegen onze verderfelijke consumptiemaatschappij.

De dieven van de schoonheid heeft de vorm van een raamvertelling: aankomend psychiater Mathilde Ayachi vertelt het verhaal dat ze heeft gehoord van een gemaskerde man, Benjamin Tholon, die op een avond het Hôtel-Dieu binnen wordt gebracht tijdens haar nachtdienst bij de eerstehulpafdeling. In drie lange sessies doet hij haar het merkwaardige avontuur dat hem is overkomen, uit de doeken. Tussendoor vertelt Mathilde de lezer over haar eigen beslommeringen, met name over de seksuele uitspattingen die haar minnaar Ferdinand haar opdringt. Uiteindelijk geeft Benjamins verhaal haar de kracht Ferdinand te verlaten.

Dat verhaal heeft veel weg van een spannende film. Op de terugweg van hun mislukte wintersportvakantie komen Benjamin en zijn nogal dominante vriendin Hélène tijdens een sneeuwstorm vast te zitten op een landweggetje in de Jura. Op zoek naar hulp ziet Benjamin na een barre tocht licht branden in een afgelegen chalet. Op zijn geroep wordt niet gereageerd, maar terug bij de auto blijkt hij te zijn gevolgd door een van de bewoners, die hen meeneemt naar de boerderij.

Het is de klassieke beginsituatie van een sprookje: de held raakt verdwaald en wordt ‘gered’ door een boze macht. Benjamin en Hélène voelen zich steeds minder op hun gemak in de boerderij. Ze proberen weg te komen, maar lopen in een grote cirkel terug naar het vertrekpunt (waar niet voor niets Heideggers Holzwege op tafel ligt), en ten slotte komt de vreselijke waarheid aan het licht: in onderaardse kerkers onder het huis worden beeldschone vrouwen door langdurige gevangenschap van hun schoonheid beroofd.

De titel voorspelde het al. De schoonheidsdieven, twee mannen en een vrouw, wreken zich met hun wrede onderneming voor de terreur die uiterlijke schoonheid op de moderne westerse mens uitoefent. Ze hebben gezworen voor altijd af te zien van zingenot en zich volledig te wijden ‘aan het uitroeien van de menselijke schoonheid in al haar vormen, zonder onderscheid van ras of geslacht’.

Het thema is actueel, en de link met Bruckners maatschappijkritische filosofie is duidelijk. Door de reclame die we van alle kanten over ons heen gestort krijgen, wordt ons voorgespiegeld dat slanke postuurtjes en rimpelloze gezichten de neutrale situatie vormen waarvan elke gram vet, elke onregelmatigheid van de huid ons verder verwijdert. De drie schoonheidsdieven leggen de schuld echter bij de schoonheid zelf en blijven daardoor uiteraard gevangenen van het mechanisme, waarvan ze alleen de plus en de min omdraaien.

In dat kluchtige gegeven ligt meteen ook de kracht van de roman. De dieven van de schoonheid is voor alles een bijzonder onderhoudend boek. Door zijn kritische visie slechts indirect te uiten, ontloopt Bruckner de valkuil van de roman à these, en je kunt je zelfs afvragen of de roman zich uiteindelijk niet helemaal onttrekt aan elke moraal: de ‘goede’ personages blijken in de loop van het verhaal helemaal zo goed niet te zijn, de ‘slechte’ zijn de slechtste nog niet, en geen enkel personage is onmiskenbaar de woordvoerder van de auteur.

Het verhaal van Benjamin eindigt ermee dat hij zich als een soort geurenkannibaal de jeugdige schoonheid van zijn vriendin Hélène toe-eigent via een ingenieus apparaat, de ‘jeugdmond’. De psychiater bij wie hij zijn hart uitstort, de zeker niet onsympathieke Mathilde, vertrouwt ons aan het einde van haar relaas toe dat ze een pervers genoegen aan de hulpbehoevendheid van haar neurotische patienten beleeft. Zo mondt de roman uit in een amoraliteit die eerder lachlust dan verontwaardiging opwekt, niet in de laatste plaats door de lichte, ironische toon die Bruckner aanslaat.

Een meesterwerk is De dieven van de schoonheid niet, daarvoor blijft het boek toch te weinig beklijven. Maar het leest als een hogesnelheidstrein, het is goed geschreven, spannend en uitermate vermakelijk. Een ideaal boek, kortom, voor op een lange, koude winteravond na Baywatch.

  • Pascal Bruckner, De dieven van de schoonheid, vertaald uit het Frans door Leo Gillet. De Bezige Bij, 1998.

[de Volkskrant, 16 oktober 1998, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email