Schatt, Oscarke

Belgisch beeldhouwer, actief in de eerste helft van de 20ste eeuw. Oscarke Schatt groeide op in een verarmd, kleinburgerlijk gezin in het gehucht Ter-Muren. Hij bezocht de tekenschool, waar hij twee eerste prijzen behaalde in de disciplines modulatie en tors. Oscarke droomde van een toekomst als beeldhouwer. De kleine Ondine, die hij huwde, wilde hij in steen vereeuwigen. In zijn wildste dromen hoopte hij met het beeld de Prix de Rome te winnen en een atelier zo groot als een schouwburgzaal te betrekken. In werkelijkheid ging hij in Brussel aan de slag als steenkapper in verschillende steenhouwerijen, en beperkte zijn werk zich tot het plaatsen van marmeren schouwen, het kappen van arduinen drempels of het poetsen van vuilgeworden grafstenen.

Na de Eerste Wereldoorlog greep Oscarke zijn kans. In Brussel werd het ene monument na het andere opgetrokken voor de gevallen helden, en het was ook een tijd van sociale onrust, die de weifelmoedige socialist Oscarke ongekende mogelijkheden bood. In afwezigheid van zijn collega’s, die deelnamen aan een staking, kapte hij op de place Malou het gelaat van een held. Het werkstuk leverde hem een promotie op in de steenhouwerij. Niet lang daarna kreeg hij van de lokale entrepreneur Derenancourt de opdracht bloemenguirlandes om een balkon en een drinkfontein achter in een hof te vervaardigen. De kroon op zijn inspanningen was het door hem ontworpen monument voor de gevallen helden van Ter-Muren, opgericht aan het einde van de Kapellekensbaan. Het bestaat uit een obelisk met de tekst ‘Aan onze doden’, en onder aan de zuil een gevallen helm (in de volksmond ‘de pispot’ geheten). Zijn vrouw Ondine schreef hem daarop in als beeldhouwer-steenkapper bij de vakvereniging, afdeling bouwbedrijf; Oscarke werd lid van een patroonsgilde. Op verzoek van een kunsthandelaar maakte hij een beeldengroep van vier naakte mannen voor het kasteelpark van een andere lokale ondernemer, meneer Glemmasson. Het zijn sobere beelden, met eenvoudige sprekende lijnen, die sterk lijken op de werken van een succesvolle tijdgenoot van Oscarke. Op een tentoonstelling stelde Oscarke vast dat de bekende beeldhouwer, die op goede voet stond met de lokale industriëlen, zijn eigen naam onder de beelden had gezet.

De beeldengroep was Schatts laatste artistieke wapenfeit. Voor de rest kapte en beitelde hij ornamenten, sneed hij bloemen in kleerkasten en bedden. Maar er was voor hem steeds minder werk. Het werd mode om meubels te vervaardigen zonder snijwerk, gebouwen te zetten zonder kapwerk. ‘Effen’, dat werd het woord van de dag. Met de mode van de effen lijn waren er geen stielmannen meer nodig, alles kon met de machine worden gemaakt. Seriewerk was plat en lelijk, maar het was voordelig en er hing geen stof meer in die krulletjes en krolletjes, zoals vroeger.

  • Louis Paul Boon, De Kapellekensbaan, 1953; Zomer te Ter-Muren, 1956

[Lemma uit Koen Brams, Encyclopedie van fictieve kunstenaars (Nijgh & Van Ditmar, 2000), © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email