Het gevecht om de kortstondige roem

Het zou een aardige quizvraag kunnen zijn: wat hebben de volgende schrijvers met elkaar gemeen, behalve dat ze in het Frans schreven of schrijven? André Gide, Louis-Ferdinand Céline, Jean-Paul Sartre, Albert Camus, Raymond Queneau, Boris Vian, Nathalie Sarraute, Samuel Beckett, Georges Perec, Claude Simon, Alain Robbe-Grillet, Philippe Sollers, Milan Kundera, Pierre Michon. Al die grootheden uit de Franse literatuur delen twee eigenschappen die hen onderscheiden van collega’s als John-Antoine Nau, Léon Frapié, Émile Moselle, Francis de Miomandre en Marius-Ary Leblond, namelijk: hun bekendheid en het feit dat ze nooit de Prix Goncourt hebben gewonnen, Frankrijks belangrijkste literaire prijs.

De conclusie ligt voor de hand: wie in Frankrijk eeuwige roem wil verwerven met zijn schrijfsels, doet er goed aan om af en toe eens een lid van de Académie Goncourt te schofferen. Natuurlijk bevat het rijtje prijswinnaars ook een aantal grote namen (Marcel Proust, Patrick Modiano, Marguerite Duras, Simone de Beauvoir, Michel Tournier, André Malraux, Julien Gracq en onlangs nog Jean Echenoz), maar over het geheel genomen blinkt de Goncourtjury toch vooral uit in het bekronen van eendagsvliegen. Voyage au bout de la nuit en L’Étranger, twee van de grootste romans van de vorige eeuw, werden bijvoorbeeld gepasseerd ten gunste van respectievelijk Les Loups van Guy Mazeline en Pareil à des enfants van Marc Bernard – beide inmiddels volledig vergeten.

Iemand anders die de Prix Goncourt niet heeft gekregen, voorlopig althans, is Michel Houellebecq. Net als in 1998, toen hij met Elementaire deeltjes heel literair Frankrijk op stelten zette maar In vertrouwen van Paule Constant met de eer zag strijken, valt hij dit jaar met de al even geruchtmakende roman Plateforme opnieuw buiten de prijzen: de Goncourtjury liet het boek al bij de eerste schifting vallen, met juryvoorzitter François Nourissier naar verluidt als enige vóór-stemmer. De kwaliteitskrant Le Monde, die Plateforme net als veel andere kranten zeer lovend had gerecenseerd, sprak er schande van – ten onrechte, want er bestaat nu eenmaal niet zoiets als een eenheidssmaak. Een jury die zich de wet laat voorschrijven door de media, kan net zo goed opstappen.

Houellebecq wordt het dus niet. Andere opvallende afwezigen: Bref séjour chez les vivants van Marie Darrieussecq, de woeste liefdesroman Les Trapézistes et le rat van Alain Fleischer (een schrijver om in de gaten te houden), Le Magot de Momm van de zeer talentvolle Hélène Lenoir, L’Effacement progressif des consignes de sécurité van Vincent Ravalec (het vuistdikke eerste deel van een twaalfdelige romancyclus) en nog zo wat titels die de aandacht hebben getrokken, waarvan de meeste overigens wel genomineerd zijn of waren voor een van de andere grote literaire prijzen: de Prix Femina (winnaar: Marie Ndiaye, Rosie Carpe), de Prix Medicis (omstreden winnaar: Benoît Duteurtre, Le Voyage en France; drie juryleden liepen woedend weg omdat Alain Fleischer het niet was geworden), de Grand Prix du Roman de l’Académie Française (winnaar: Éric Neuhoff, Un bien fou), de Prix Interallié of de Prix Renaudot.

Wie krijgt de Goncourt aanstaande maandag dan wel? Marc Lambron, wordt er gefluisterd. Alain Robbe-Grillet, als het aan mij lag. In ieder geval lijken die twee me de grootste kanshebbers van de vijf resterende genomineerden. De tweede schifting, afgelopen dinsdag bekendgemaakt, had wel weer een paar verrassingen in petto: behalve twee zwakke titels vielen ook twee zeer sterke af, en de jury toverde bovendien nog een nieuwe genomineerde uit de hoge hoed, zoals in de ronde daarvoor ook al was gebeurd met Robbe-Grillet. Nu maar hopen dat men die logica niet doortrekt tot in de definitieve schifting: een niet-genomineerde die de prijs wint, dat zou ongehoord zijn. Maar van de Goncourtjury kun je alles verwachten sinds ze in 1999 de prijs voor Jean Echenoz ruim een week te vroeg bekendmaakte om twee andere jury’s te vlug af te zijn.

Van de acht boeken die de eerste schifting hadden overleefd, zijn er nu dus vier gedumpt. Twee daarvan lagen voor de hand: Le Fil de soie van Michèle Gazier en Un été autour du cou van Guy Goffette, wat mij betreft duidelijk de zwakste titels, waarvan ik me afvraag hoe ze ooit zover hebben kunnen komen. Vooral Le Fil de soie is een ronduit bespottelijk boek, een soort veredelde boeketreeksroman met een totaal onwaarschijnlijk einde. Het verhaal gaat over een uitzonderlijk getalenteerd meisje dat een wereldberoemde couturière wordt, die uiteraard een niet minder begaafde jongeman tegen het lijf loopt met wie ze de rest van haar leven zal delen. De geliefden gaan in de loop van de tijd steeds meer op elkaar lijken (‘Dat nieuwe, dubbele wezen waarin ze zich samen incarneerden was in zekere zin hun kind’), zozeer dat hij zich als haar kan voordoen wanneer zij oud wordt en sterft.

De dichter Guy Goffette brengt het er met zijn eerste roman niet veel beter van af. Un été autour du cou is een zeer poëtisch (of liever gezegd: gewild poëtisch) geschreven verhaal over een dorpsjongetje van twaalf dat met zijn ontluikende seksualiteit een gezonde lust opvat voor een goed in het vlees zittende nieuwe dorpsbewoonster, die hem op pedagogisch volledig onverantwoorde wijze nu eens zijn zin geeft, dan weer afwijst. Het arme slachtoffertje ziet zijn hele toekomst door haar geruïneerd: hij eindigt als eenzame kluizenaar in het bos, mijmerend over het leven dat hij zou hebben gehad als de dame hem niet haar lichaam maar alleen wat snoepjes had aangeboden.

[de Volkskrant, vrijdag 2 november 2001, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email