Woorden als poppen van as

Je zou het een parabel kunnen noemen, of een moderne conte philosophique. Realistisch is het verhaal in ieder geval niet. Het meisje dat te veel van lucifers hield, de derde roman van de Franstalige Canadees Gaétan Soucy, is zo grotesk als een boek maar zijn kan. Wat niet wil zeggen dat het niets te melden heeft over onze wereld van markt en strijd. Integendeel zelfs.

Het meisje dat te veel van lucifers hield was een van de opvallendste Franstalige boeken van 1998. Het komt niet zo heel vaak voor dat er op het literaire toneel ineens een geheel nieuwe stem te horen valt, een stem die niet direct doet denken aan andere stemmen die al wat langer meezingen, maar dat is Soucy ontegenzeglijk: zijn werk is eigenzinnig, heeft een volstrekt eigen obsessionele thematiek en is bovendien van het aangenaam leesbare soort, wat niet van alle moderne Franse literatuur kan worden gezegd. Gelukkig maar, trouwens, want eenheidsworst is de dood in de pot.

Toch is Soucy wel een typische schrijver in de Franse traditie. Een van de zwaartepunten van zijn werk is namelijk de taal, die bij hem meer is dan louter een instrument om het verhaal mee te vertellen. In het dagelijks leven is Soucy filosoof, en dat is goed te merken: de taal is bij hem geen doorzichtig, onproblematisch medium, maar een raadselachtig, bijna tastbaar verschijnsel dat mensen eerder van elkaar lijkt te vervreemden dan ze tot elkaar te brengen. In Het meisje dat te veel van lucifers hield treedt dat ondoorzichtige, isolerende karakter van de taal zo duidelijk op de voorgrond dat het misschien wel het voornaamste thema van de roman is geworden. De hoofdpersoon, het meisje Alice, is letterlijk getekend door de taal, die zowel haar enige toevlucht als haar gevangenis is.

Alice heeft haar taal geleerd van haar vader, maar vooral ook uit de vele ‘woordenboeken’ die ze heeft gevonden in de bibliotheek van het vervallen landgoed. Vooral de ‘ethica van spinoza’ en de ‘memoires van de duc de saint-simon’ hebben grote indruk op haar gemaakt: aan die boeken ontleent ze tal van rare woorden, bizarre uitdrukkingen en vreemde zinsconstructies en werkwoordsvervoegingen. En als haar geheugen haar in de steek laat, doet haar fantasie de rest. Het resultaat is dus een hilarische mengeling van moderne spreektaal en archaïsche dan wel pseudo-archaïsche rariteiten, die van Het meisje dat te veel van lucifers hield een waar taalfestijn maken.

In de vertaling van Han Meijer is van dat festijn overigens weinig te merken. Het Nederlands leest zeer vlot maar is allesbehalve grotesk, de idiote vondsten van Soucy worden voortdurend met vrij normale woorden vertaald: het niet-bestaande figette wordt ‘verstarring’, het komisch-archaïsche koppel ramentevoir en ramentevances (beide niet in gewone woordenboeken te vinden) wordt ‘zich heugen’ en ‘heugenissen’. Ook van de grammaticale buitensporigheden is haast niets meer overgebleven. Dat is niet alleen jammer, het is zelfs fataal, want de hele tragiek van Alice ligt in haar mismaakte taaltje besloten. Wanneer je dat taaltje normaliseert, krijg je een volstrekt ander boek: een kletserig verhaal waarvan de steeds terugkerende tussenzinnetjes (‘zo heet dat’, ‘ik bedoel’) alleen maar op de zenuwen gaan werken, in plaats van de tragiek van het personage te onderstrepen.

En die tragiek liegt er niet om. Het meisje dat te veel van lucifers hield kan worden gelezen als een parabel over het lot van de wereld na de dood van God, een apocalyptisch sprookje met een slecht einde: de mooie prinses wordt niet gered door de koene ridder op zijn briesende paard (in dit geval een motor). De God in kwestie is de vader van Alice, die haar en haar broer alleen achterlaat door zich op te knopen. Dat is het begin van het einde, Alice pakt een pen en begint haar ‘testament’ (dit boek) te schrijven, dat ze overigens zelf niet eens kan teruglezen, want ze gebruikt bij het noteren van haar relaas maar één letter, de l – de tekst is met andere woorden één grote rij krullen, en wij lezen niet van papier maar in haar hoofd mee.

Mondjesmaat krijgen we de elementen van een vreselijke waarheid te horen, maar de vertelster lijkt zich van haar eigen ellende nauwelijks bewust. Ze begint trouwens pas in de loop van het verhaal te beseffen dat ze geen jongen is maar tot het geslacht der ‘hoeren en heilige maagden’ behoort. Er is een vage herinnering aan vroeger geluk, er is een halfvergane portrettengalerij, er is een bordje waarop de namen Alice en Ariane zijn gebrand, en er is, geketend aan een keldermuur, de Gerechte Straf: ‘Lijden in pure vorm, zo lijkt het wel, in één brok. Als pijn die van niemand is.’ En daarmee krijgt het aan Wittgenstein ontleende motto zijn betekenis: ‘Hoe zou een pijn zijn die niemand “heeft”? Een pijn die van niemand is? Het probleem is dat pijn altijd wordt voorgesteld als iets wat we kunnen waarnemen, zoals we een lucifersdoosje waarnemen.’

Maar ook na de Apocalyps gaat de tijd door, er is zelfs zoiets als een nieuw begin. Twintig jaar zijn verstreken, die Alice in een psychiatrische instelling heeft doorgebracht, wanneer we haar op het plein van een provinciestad opnieuw tegenkomen, in gezelschap van een non. Gaétan Soucy heeft onlangs namelijk een vervolg op zijn roman geschreven, in de vorm van een toneelstuk: Catoblépas. De titel verwijst naar een legendarisch monster dat volgens Plinius in Ethiopië leeft en altijd naar beneden kijkt – gelukkig maar, want elke mens die zijn blik ontmoet, valt direct dood neer. In het toneelstuk is het monster de twintig jaar oude zoon van Alice, die onder bewaking in een villa woont en rare dingen uithaalt met kinderen.

Net als Het meisje dat te veel van lucifers hield draait Catoblépas om intens tragische thema’s: schuld, boetedoening, menselijke en voormenselijke wreedheid. Alice heeft inmiddels normaal leren spreken, haar woorden zijn niet meer haar ‘poppen van as’ waarmee ze kan spelen als met een voorbij geluk, maar uit haar nieuwe, kalere taal spreekt overduidelijk een gemis: het is de taal van een getraumatiseerde, zouden de psychologen zeggen.

Met die ‘woorden als ruïnes’, zoals hij ze zelf omschrijft, heeft Soucy zich opnieuw op een verrassende manier vernieuwd, zoals hij eerder had gedaan door na de verstilde spanning van zijn tweede roman, L’Acquittement, op de proppen te komen met Alice en haar hilarisch-tragische taaltje. Momenteel werkt hij aan zijn vierde roman. Als die opnieuw van zo’n hoog niveau is, weten we dat de Franstalige literatuur er weer een grote naam bij heeft.

  • Gaétan Soucy: Het meisje dat te veel van lucifers hield, vertaald door Han Meijer. Querido, 2002
  • Gaétan Soucy: Catoblépas, gevolgd door een gesprek met de schrijver. Boréal, 2002.

[de Volkskrant, 5 april 2002, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email