De lach van de duivel

Het boek van de lach en de vergetelheid, het eerste boek dat Milan Kundera schreef nadat hij zich in 1975 in Frankrijk had gevestigd, is zijn meest autobiografische roman. Openhartig vertelt hij erin over zijn relatie met zijn vader, de pianist Ludvík Kundera, over zijn eigen jeugdige enthousiasme voor het communisme, over zijn verstoting uit de partij en over de manier waarop hij na de Russische inval in 1968 zijn baan verloor – inclusief de vermakelijke anekdote van de horoscooprubriek die hij vervolgens een jaar lang verzorgde onder een andere naam. En Kundera schuwt zelfs een zeer intieme onthulling niet, getuige het verhaal over zijn ontmoeting met de journaliste R. en zijn plotselinge verlangen om haar te verkrachten.

Het zijn het soort bekentenissen waar het publiek van smult: aandoenlijke, direct toegankelijke passages, waarin de doorgaans zeer discrete Kundera zich eindelijk een beetje blootgeeft, in plaats van zich te verstoppen achter cynische analyses en moeilijke theorieën. Dat die analyses en die theorieën juist een radicale kritiek op onze blootgeefcultuur behelzen, vergeten we voor het gemak maar even, evenals het feit dat al die autobiografische passages binnen de roman een functie vervullen die het persoonlijke niveau ruimschoots overstijgt: in plaats van het exhibitionistische ‘kijk mij eens’ klinkt er een heel ander geluid in door, bijvoorbeeld ‘kijk de wereld eens’, of zelfs ‘kijk de mens eens’. Zo vormen de inderdaad ontroerende herinneringen aan Kundera’s vader, de musicus die zijn woorden niet meer kon vinden, de aanleiding tot een uiteenzetting over variaties (die de componist in staat stellen steeds dieper tot de essentie van zijn thema door te dringen, in plaats van zich te verliezen in het oneindig grote) en tot een beschouwing over geluid, klank en muziek (met Schönberg is de westerse muziekgeschiedenis ten einde, wat overblijft is één grote stroom geluid, zoals Kundera zal betogen in Onwetendheid). Op vergelijkbare wijze worden de andere persoonlijke herinneringen direct ingezet voor onpersoonlijke doeleinden en opgenomen in het geheel van de compositie: het zijn niets anders dan variaties (of fragmentjes daarvan) op de grote thema’s die de roman behandelt, en we vergissen ons dan ook schromelijk wanneer we in die herinneringen de ware Kundera te pakken denken te hebben.

Een van de grote thema’s van Het boek van de lach en de vergetelheid is de grafomanie: de onbeteugelbare schrijfdrang die in de mens naar boven komt zodra de wereld waarin hij leeft aan bepaalde voorwaarden voldoet (welvaart, sociale versplintering en afwezigheid van grote veranderingen). Die schrijfdrang heeft geen betrekking op brieven, dagboeken of andere teksten die voor privé-gebruik bestemd zijn, maar op boeken voor een anoniem publiek. Allemaal willen we de wereld veroveren met onze eigen woorden en onze eigen persoonlijkheid – want al die woorden gaan natuurlijk over niets anders dan onszelf; het boek dat Bibi wil schrijven en het boek van de fietsende schrijver uit Ruru zijn geen lachwekkende uitzonderingen, maar lachwekkende bevestigingen van de regel. Kundera laat er geen twijfel over bestaan: het verschil tussen een goede en een slechte schrijver ligt niet in hun redenen om te gaan schrijven, maar domweg in de kwaliteit van het resultaat. Een goede schrijver (Goethe, Kundera) is iemand die erin slaagt zijn woorden aan de hele wereld op te dringen, een slechte schrijver (Bibi, Banaka) slaagt daar niet in. Tot voor kort althans, want inmiddels heeft de grafomanie een nieuwe uitlaatklep gevonden: na een korte, redelijk succesvolle omweg via de tv (waarover Kundera schrijft in Traagheid, de grafomaan heet daar ‘danser’, en deze roman kan worden gezien als de fugatische laatste variatie van Het boek van de lach en de vergetelheid) hebben de slechte én goede schrijvers aller landen zich verenigd op internet, waar ze hun schrijfdrang botvieren via weblogs en chatboxen.

Die communicatie van allen met allen (die in werkelijkheid geen communicatie is, want iedereen ‘is omsingeld door zijn letters als door een spiegelwand die geen stem van buiten doorlaat’) gaat uit van totale openheid en een totale idylle: het is een ‘tuin waarin nachtegalen zingen’, een ‘gebied van harmonie waarin de wereld niet vreemd tegenover de mens staat en de mens niet vreemd tegenover andere mensen, maar waar integendeel de wereld en alle mensen geschapen zijn uit één en dezelfde materie en waar het vuur dat in de hemel brandt, hetzelfde is als het vuur dat in de menselijke ziel brandt.’ Kortom, het is het rijk der engelen. Aan die engelen heeft Kundera het derde en zesde boekdeel van zijn roman gewijd, en ook in de andere boekdelen zien we die gevleugelde wezens regelmatig verschijnen, al dan niet in vermomming. De engelen, dat zijn de aanhangers van Gods schepping, oftewel (in termen waar Kundera in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan zijn theorie van de kitsch aan zal ophangen) zij die ja zeggen tegen het zijn als zodanig, los van elke concrete invulling: communisten, kinderen, maar ook ‘alle kerken, alle ondergoedfabrikanten, alle generaals, alle politieke partijen’. Zij vinden zich allemaal in de extatische lach van de engel, de lach van de rondedans, de lach van de vergetelheid, die alleen het heden laat bestaan en de geschiedenis ontkent (want een goede wereld is eeuwig en tijdloos).

Daartegenover staat de lach van de duivel – die de ware lach is, want we moeten lachen wanneer de dingen plotseling worden ontdaan ‘van de veronderstelde betekenis, van de plaats die ze in de vermeende orde der dingen hebben gekregen’. De lach van de duivel doorbreekt de illusie van de idylle, plaatst de mens weer in de tijd en biedt hem inzicht in de beperkingen van zijn menselijkheid. Het moge duidelijk zijn dat Kundera zich bewust aan de kant van de duivel heeft geschaard, nadat hij als jongeman een tijdje met de engelen in de rondte had gedanst. Net als veel anderen is hij vervolgens tegen zijn eigen jeugd opgestaan en heeft hij geprobeerd zijn daad terug te roepen, op te jagen en te achterhalen. En in die duivelse klopjacht, die tot nu toe dertien boeken beslaat, schuilt zijn ware autobiografie.

[nawoord bij Milan Kundera, Het boek van de lach en de vergetelheid, vertaling Jana Beranová. Ambo, 2004, © Martin de Haan.]

Print Friendly, PDF & Email