De Kip of het Ei

Romans zijn een consumptie-artikel, maar ze bekomen niet allemaal even goed. Sommige romans zijn licht verteerbaar, stillen op vlotte wijze de leeshonger. Andere zijn zware kost, blijven in de keel steken, liggen als een steen op de maag.

Heel af en toe stuit je op een roman die in eerste instantie lekker weghapt maar toch allerminst fastfood blijkt te zijn. Het in 2002 vertaalde Het meisje dat te veel van lucifers hield, van de Frans-Canadese schrijver Gaétan Soucy, had zo’n zeldzame combinatie van verteerbaarheid en taaiheid, lichtheid en zwaarte. De ene recensent kwalificeerde het als een boek ‘om in één zucht uit te lezen’, de andere als een boek ‘waarvan je dagen later nog nasiddert in je stoel’. Beiden hadden gelijk. Hoe raadselachtig ook, je werd onmiddellijk ingesponnen in dit wrede verslag van een traumatische kindertijd, geschreven door een onheilszwanger meisje in een onheilszwangere wereld. De taal van Het meisje, in het Frans een bevreemdende mix van boekentaal, kindertaal en bargoens, was psychologisch geloofwaardig, want rechtstreeks verbonden met het isolement van de hoofdfiguur. De schoonheid van die taal had een dwingende, betoverende werking.

Des te heviger is de teleurstelling na het consumeren van Music-Hall!, Soucy’s laatste roman, die weliswaar makkelijk naar binnen glijdt, maar allesbehalve substantieel is. Het contrast is zo groot dat zich af en toe de vraag opdringt of beide boeken wel door dezelfde auteur zijn geschreven. Anders dan Het meisje dat te veel van lucifers hield, een klein wonder van vertelkunst waarin geen scène en geen personage te veel voorkomt, is Music-Hall! overbevolkt met ongeloofwaardige, eendimensionale romanfiguren en melodramatische plotwendingen. De enige overeenkomst is de hoofdpersoon, andermaal een adolescent die geen schuld heeft aan het wereldleed.

Xavier X. Mortanse werkt als leerjongen in de Orde van Slopers, in het New York van de jaren ’20. Hij is een migrant uit Hongarije, hij heeft nauwelijks herinneringen, hij mist zijn zus Justine en zal de hele roman door naar haar liefde blijven smachten. Op een sloopterrein vindt hij een zingende kikker, maar het schmierende dier brengt hem geen geluk. Na talloze picareske en tragische lotgevallen in het slopers- en variétémilieu sterft hij aan tbc.

Als we de ingewikkelde plot mogen geloven is hij geen mens als ieder ander maar een soort homunculus, de licht monsterlijke creatie van een geniale gek. In elk geval is hij een bloedeloze figuur: een icoon van onschuld, zuiverheid, ja heiligheid, die een onverklaarde roeping heeft voor het slopersvak, hoewel hij door zijn collega’s voortdurend wordt mishandeld en vernederd. Nergens komen de beproevingen van Xavier los van het papier, niets van wat hem overkomt wekt enige ontroering. Xavier heeft een filosofische inborst: hij vraagt zich in ernst af wat er eerst was, de Kip of het Ei, en wordt door zijn onvermogen dat vraagstuk op lossen ‘in de diepste ellende gedompeld.’ Arme Xavier!

Hoewel Soucy naar verluidt vijftien jaar aan Music-Hall! heeft gewerkt, lijkt vooral de verteltechniek het te laten afweten. Zijn ambitieuze plan om een picareske roman te combineren met een tragedie is niet geslaagd. Het opvoeren van bordkartonnen personages, zo weggelopen uit een variété-theater, is ongetwijfeld parodiërend bedoeld, maar het werkt niet. Werd je in Het meisje meegezogen door de apocalyptische wereld die de hoofdpersoon met haar curieuze mengtaaltje weergaf, in Music-Hall! ben je overgeleverd aan de onmacht van een alwetende verteller wiens perspectief voortdurend zwalkt van het ene naar het andere personage en die zich steeds gedwongen voelt hun beweegredenen omstandig uit te leggen. Dan staat er bijvoorbeeld: ‘Justine nam de trap want de lift kwam niet. Maar ze was nog geen twintig treden afgedaald of ze bleef stokstijf staan. Zo kon ze hem niet achterlaten. (…) Maar ze rechtte haar rug. Haar conclusie, duizend keer gewikt en gewogen, stond vast. (…) Het was het beste om die Xavier te vergeten, te doen of hij niet meer bestond.’ Een pagina verder meent Justine dat ze Xavier had moeten doodschieten. Vijf pagina verder dat ze hem nooit in de steek had mogen laten. Arme lezer!

Uiteindelijk wreekt het middelpuntvliedende perspectief van Music-Hall! zich vooral in de taal. Die mist de spankracht om het ondanks alle opzienbarende verwikkelingen traag voortkabbelende verhaal bijeen te houden – en dat ligt niet, of niet in de eerste plaats, aan de vertaling. Soucy hanteert een stijl die nu eens onbeholpen of gezocht klinkt (‘Xavier kwam als een steen teruggevlogen, zijn gezicht als de wijzerplaat van een klok die slaat’), dan weer flets en sentimenteel (‘De leerjongen keek naar de grond, met wijd opengesperde ogen, nog steeds in een staat van angstige verbijstering. Hij mompelde: ‘Wat een avontuur! Wat verschrikkelijk allemaal!’ ‘Ja vreselijk,’ zei Peggy met een door tranen verstikte stem.’).

Met Music-Hall! bouwt Soucy nadrukkelijk aan zijn oeuvre. Hij wil veel, maar het resultaat is niet navenant. Hij schreef een slecht verteerbare smartlap, een roman die een stuk dikker maar lang niet zo voedzaam is als het opwekkende gerecht dat eraan voorafging. Als literair program is dat eigenlijk ook helemaal niet zo kwaad: een oeuvre dat bestaat uit hors-d’oeuvres.

  • Gaétan Soucy, Music-Hall!, vertaald uit het Frans door Han Meijer, Querido, 2004.

[de Volkskrant, 28 mei 2004, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email