‘De schrijver is hooguit een opwekker van ambiguïteit’: Roland Barthes

Barthiteit

In 1956 bundelde Barthes onder de titel Mythologies een vijftigtal eerder verschenen korte etnografische studies van de Franse samenleving, scherpzinnige, vaak ambigue, soms hilarische ontsluieringen van de Franse (klein-)burgerlijkheid. Hij schreef er een theoretische verantwoording bij – een karakteristieke manoeuvre, waarin de theorie achteraf de intuïtieve voorkeuren verantwoordt en systematiseert. Zo ontstond Le mythe, aujourd’hui, een tekst die de stoot gaf aan Barthes’ semiologische periode, en nog altijd verplichte lectuur voor eerstejaarsstudenten cultural studies. Aanvankelijk was hij echter iets heel anders van plan: hij had zich voorgenomen een Mythologie de Roland Barthes te schrijven; was hij op het gebied van burgerlijkheid geen ervaringsdeskundige? Net als veel innovatieve schrijvers – denk aan Flaubert of Baudelaire –, was Barthes een parent pauvre, een ‘paria’ van de burgerlijke familie; de cruciale ervaringen van armoede in zijn jeugd, van ziekte en van een geblokkeerde universitaire carrière (zijn proefschrift bleef ongeschreven), zadelden hem op met een complexe haat-liefderelatie tot zijn eigen maatschappelijke klasse en met een duurzaam ambigue intellectuele habitus. Met vooruitziende blik overwoog Barthes zichzelf dus tot mythe te verklaren, in het reflexieve gebaar van de bourgeois die krachtens zijn kritische missie gehouden is afstand te bewaren tot de bourgeoisie. Ook de mythologie de Roland Barthes bleef ongeschreven, wat onverlet laat dat Barthes een mythe is geworden – zijn publieke imago, zijn rol als intellectuele celebrity, verhoudt zich tot zijn werk zoals de metataal van de mythe tot de taal van het teken. Wat zouden de contouren kunnen zijn van een hedendaagse mythologie van Roland Barthes? Opnieuw lijkt ambiguïteit het sleutelwoord.

In de mythe zoals Barthes die omschrijft parasiteert de connotatie op de denotatie en leidt tot een vorm van ideologische vertekening. Net zo parasiteert Barthes’ publieke imago op zijn teksten. Het ‘concept Roland Barthes’ is datgene wat overblijft zodra je van die teksten abstraheert: een paar titels, een stuk of wat begrippen, een weemoedige glimlach en een elegant handschrift. En zoals het concept China in Mythologies wordt vertaald in het neologisme ‘siniteit’, zo zou het ‘concept Roland Barthes’ Barthiteit kunnen worden genoemd – geen fraai woord, maar Barthes zelf schrikt in Le mythe, aujourd’hui niet terug voor een barbarisme als bouvard-et-pécuché-ité. ‘Barthiteit’ zou dan staan voor een vorm van belichaamde distantie, een oxymoron waarmee wordt gedoeld op de ongrijpbaarheid die steeds een cruciaal element van Barthes’ aantrekkelijkheid vormde.

De manier waarop Barthes distantie belichaamde, verklaart de aan fetisjisering grenzende fascinatie die van hem uitging en nog steeds uitgaat. De mythe veronderstelt een sociale categorie die de mythe consumeert; Barthes was een levende bevestiging van de in de maatschappelijke positie van intellectuelen ingebakken neiging om de wereld te zien als een schouwspel dat zich aandient om te worden ontcijferd – ontmaskerd  of genoten. Kritiek, theorie, estheticisme: Barthes leverde een huisideologie van de intellectuele distantie. Het is zeker niet Barthes’ geringste paradox dat de auteur die in Mythologies ten strijde trok tegen de burgerlijke ‘naturalisering’ van de geschiedenis, via de omweg van de semiologie terugkeerde tot a-historische, in het lichaam gefundeerde begrippen zoals ‘plezier’ en ‘genot’. In Le plaisir du texte beschouwt hij (literair) plezier als zijnde ingebed in cultureel gevormde smaakoordelen, maar (literair) genot, doordat het wortelt in het lichaam, als een resoluut onmaatschappelijke (‘perverse’) ervaring. En hij pleit voor een nu eens ‘aristocratisch’, dan weer ‘clandestien’ genoemde leespraktijk: de tekst is een ‘eilandje’, een esthetische vrijplaats, en lezen een ‘subversion subtile’, het middel tot een gedistantieerde, zuiver symbolische radicaliteit.

Intussen zijn Barthes’ theoretische pretenties grotendeels geschiedenis geworden, en bij de postume duiding van Barthes’ erfenis staat meer dan vroeger zijn schrijverschap op de voorgrond. Niet ten onrechte: bij uitstek des schrijvers is de hardnekkigheid waarmee Barthes zijn eigen preoccupaties en obsessies projecteerde op alle onderwerpen die hij aansneed, en ook de intelligentie waarmee hij nieuwe literaire vormen exploreerde en al doende zichzelf uitvond. In de hedendaagse Barthiteit overheerst de figuur van de intellectuele dandy, de exemplarische stilist: wat nu vooral fascineert is Barthes’ stijl. Maar er gaan ook stemmen op voor een herwaardering van het maatschappijkritische gehalte van Barthes’ werk, en nog steeds is hij een vaste leverancier van begrippen in de literatuurkritiek. De grote Barthes-tentoonstelling in het Parijse Centre Pompidou, begin 2003 (inclusief de Citroën-DS op een sokkel), was in zekere zin niets anders dan een prestigieuze materialisatie van de hedendaagse Barthes-mythe. Alle achtereenvolgende gedaanten van de auteur – mytholoog, semioticus, schrijver – stonden netjes naast elkaar gezet, een demonstratie van Barthes’ definitieve stolling tot intellectueel icoon. Want welke Barthes je ook verkiest, elke synthese leidt tot een verstarring die strijdig is met de geest van zijn werk: de mythe ‘injecteert in de werkelijkheid een zuiverende essentie, die de transformatie, de vlucht naar andere vormen van bestaan tot stilstand brengt. (…) Want het grote doel van mythen is de wereld tot stilstand te brengen: mythen suggereren het beeld van een universele economie waarin de hiërarchie van de bezittingen eens en voor altijd is vastgelegd.’ (I, 865)

Het ambigue van de Barthiteit is dat Barthes’ veelkantige oeuvre zich niet laat reduceren tot hetzij maatschappijkritiek, hetzij wetenschap, hetzij schrijverschap. Barthes beoefende een denken in beweging, waarvan de neerslag een gefragmenteerd, proteïsch oeuvre is; bij leven ontsnapte hij voortdurend aan zijn tijdgenoten, en ook de pogingen van nabestaanden om zijn erfenis in een formule te vatten stuiten op het ontsnappingsmechanisme dat in zijn werk besloten ligt. Als heel Barthes in één fragment aanwezig kan zijn, dan zijn alle fragmenten tezamen groter dan hijzelf. De lezer rest niets anders dan zijn werk opnieuw ter hand te nemen – dat is de enige plek die zich duurzaam onttrekt aan mythologische stolling. In Mythologies verklaart Barthes dat hij geen synthese ziet tussen ideologie en poëzie, maar hij laat er evenmin een misverstand over bestaan dat dáár zijn utopische verlangen ligt. Alleen in de beweging van het lezen wordt de beweging waarvan zijn werk de uitdrukking is hersteld; alleen de lezer kan opnieuw het verlangen gaande maken dat dat werk voortdrijft.

[in: Memo Barthes, samenstelling Rokus Hofstede & Jürgen Pieters, Uitgeverij Vantilt & yang, 2004. © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email