Pascal Bruckner, ‘De hel die huwelijk heet’

De Franse filosoof Pascal Bruckner noemt het ‘onze hel’, de keerzijde van onze vooruitgang: dat de mannen of vrouwen op wie we verliefd worden nooit voldoen aan onze wensen. ‘Niet omdat we het telkens zo slecht treffen, maar omdat die wensen onvervulbaar zijn.’ Een collage van passages uit zijn boek Le Paradoxe amoureux.

De buitensporigheid van onze tijd schuilt in een redeloze droom: het alles-in-één. Eén persoon moet alles in zich hebben wat ik mij wens. Wie kan aan zulke torenhoge eisen voldoen? De duizelingwekkende toename van het aantal echtscheidingen in Europa komt niet door ons egoïsme, zoals vaak wordt beweerd, maar door ons idealisme: juist doordat we zo graag willen samenleven, kunnen we het niet. Onze huwelijken gaat niet kapot omdat ze zo ongelukkig zijn, maar omdat we er een te hoogstaand idee van hebben. Ze draaien alleen nog om liefde, ‘de vernietigende blik van de god’ (André Breton), en dat is precies het probleem. Het bootje wordt te zwaar beladen, het wordt met zulke grote verwachtingen volgestouwd dat het uiteindelijk kapseist. Niet een gebrek aan gevoel is het probleem, maar een overdaad eraan, die we maar al te graag uitstorten.

Er heerst tegenwoordig een wijdverbreide ziekte: het eindeloze zoeken naar de ware jakob – die tegenvalt en wordt verruild voor een ander, die op zijn beurt wordt afgekeurd en overtroffen door een derde, een vierde, een hele reeks van dwaallichtjes die oplichten en weer uitdoven. We ontvlammen, koelen weer af, zijn nooit tevreden. Telkens opnieuw beloven we meer dan we voelen en laten we ons overrompelen door die valse liefdes op het eerste gezicht waar Stendhal over schrijft, waarbij je ‘een avond lang je hele leven van iemand denkt te zullen houden’.

Nooit is de verwante ziel mooi, intelligent en wulps genoeg: de sprookjesprins was maar een kluns die in bed niets klaarspeelde, de seksbom een frigide neurotica, een kniezerige feeks, alle kandidaten zakken voor het examen. Dat is onze hel, de keerzijde van onze vooruitgang: de mannen of vrouwen op wie we verliefd worden voldoen nooit aan onze wensen, niet omdat we het telkens zo slecht treffen, maar omdat die wensen onvervulbaar zijn.

In Parijs vindt op Place des Abbesses, op de heuvel van Montmartre, in de oogsttijd sinds een paar jaar een vreemde ceremonie plaats: jonge stellen komen er bij een officieel persoon hun ‘niet-huwelijksaanzoek’ laten registreren, en net als in het chanson van Georges Brassens zeggen ze tegen elkaar: ‘Hierbij vraag ik je plechtig niet om je hand’. Geen enkel gebruik is mooi genoeg voor ons, lijken die nieuwsoortige verloofden te zeggen, maar ook zij vragen voor hun afwijzing van een officiële verbintenis het ja-woord van een uitverkorene. Ze willen het symbool minus de verplichting: een vreemd spel met het instituut, dat zelf te hulp moet schieten om onbevoegd te worden verklaard. Het huwelijk als regel hebben we achter ons gelaten, maar het huwelijk als droombeeld misschien nog niet.

De nostalgie naar de klassieke bruiloft in witte jurk is vaak verkeerd begrepen. Het is een formele nostalgie, die onder de dekmantel van de traditie de zindering van het heilige zoekt. De tekenen worden bespeeld, de symbolen opgeroepen: koets met paarden ervoor, limousine, receptie in het kasteel, maar dat alles als een toneeldecor. Het huwelijk was een stand, vergelijkbaar met de maatschappelijke standen, de adel en de geestelijkheid; als inwijdingsritueel vormde het een scheidslijn in het leven. Nu wordt het herhaalbaar en herroepelijk, maar voor veel mensen blijft het een verplichte etappe. Je moet minstens één keer zijn getrouwd, al is het dan na tien jaar samenwonen, bij wijze van bekrachtiging. Zelfs christelijke verloofden gedragen zich als consumenten, want ze willen een hippe pastor en een schattig romaans kapelletje, tot schade en schande van de versmade priesters.

De Engelse dichter John Milton publiceerde in 1644 een lang pleidooi voor echtscheiding, dat echter juist het tegendeel zou bewerkstelligen en het huwelijk van een nieuw fundament zou voorzien. Milton vergelijkt de huwelijksband met de relatie tussen volk en koning: zoals het handvest van een natie kan worden verbroken als de vorst zijn macht misbruikt, zo moet de echtverbintenis ontbonden kunnen worden in geval van ernstige onmin. Als we het huwelijk serieus zouden nemen, schrijft Nietzsche later, zouden we levenslange verbintenissen moeten verbieden, een zin die alleen nog maar actueler is geworden nu de levensverwachting ons gemakkelijk in de buurt van de tachtig, negentig jaar kan brengen.

Het prettige van scheiden is dat het huwelijk erdoor wordt geciviliseerd, dat het geen gevangenis meer is: precies de reden waarom, in Europa tenminste, zeventig procent van de echtscheidingen wordt aangevraagd door de vrouw, voor wie dit een duizelingwekkende nieuwe kans is. Partnerschap? Ja, maar met een ontsnappingsmogelijkheid, het recht om eruit te stappen, een vluchtweg die voor de echtgenoten het spookbeeld van de verstikking wegneemt. (Ik moet hier denken aan die Amerikaanse vrouw die in 2008 haar scheiding uitstelde omdat het huis dat ze met haar man bezat de helft van zijn waarde had verloren. De crisis als hoeder van de morele orde!) Om te laten zien hoe verloederd onze zeden zijn, stelt men ons echtparen tot voorbeeld die al vijftien, twintig of dertig jaar samen zijn; maar liefde is geen duurloop, het is een bepaalde kwaliteit van de band tussen twee mensen. Als die kwaliteit tegen de jaren bestand is, des te beter, maar mensen beginnen geen relatie om die tot elke prijs zo lang mogelijk vol te houden.

Wij vragen onze ouders geen toestemming meer om met iemand het leven te mogen delen, we hengelen alleen naar hun bijval. Als ze die weigeren, trekken we ons er niets van aan. De tijd van de gedwongen verbintenissen is dus voorbij, en een blik op het treurige schouwspel dat sommige islamitische of traditionalistische landen daarvan bieden is genoeg om ons alle lust daartoe te ontnemen. Dat we kunnen kiezen tussen een klassiek huwelijk, samenwonen of een open relatie, en dat we in de loop van ons leven verschillende soorten verbintenissen kunnen tegenkomen, is uiteindelijk een enorme vooruitgang. We hebben het instituut van het huwelijk niet kapotgemaakt, maar als heremietkreeften naar onze eigen smaak ingericht, naar onze wil geplooid tot het er onherkenbaar van werd. De oude burcht is niet ingestort en blijft voor velen begerenswaardig. Het geniale ervan is dat hij alles heeft geassimileerd wat hem dreigde te ondermijnen: onstuimigheid, ontrouw, de handelingsvrijheid van de beide partners. Hij heeft verwerkt wat hem betwistte en zich versterkt met wat hem aanviel. Hij heeft eindeloos veel gezichten aangenomen, en daarom is het even absurd om het huwelijk te veroordelen als om onszelf te veroordelen tot het huwelijk.

Het echtelijke model blijft overeind staan omdat veel mensen er wel bij varen. Het is een mengelmoes van ambities en verwachtingen die voor iedereen open kan staan, inclusief homo’s en lesbiennes: je vindt er wat je zelf hebt meegebracht. Maar de openheid heeft absolute grenzen, want als er kinderen komen is het gedaan met de alleenheerschappij van de individuele wil. Kinderen krijgen is onherroepelijk en legt de verwekkers een eeuwige verplichting op, die veel verder gaat dan de verwikkelingen van het gevoelsleven. De wetgever heeft op dat gebied de taak om de afstamming veilig te stellen en de zwakkeren te beschermen tegen de onbestendigheid van het huwelijk: meegaan met de tijd, ja, maar niet ten koste van de verantwoordelijkheid. Dat is de spagaat waartoe we worden gedwongen.

Het is een aangrijpende song van de Beatles: ‘She’s leaving home’, het verhaal van een meisje dat bij dag en dauw van huis wegvlucht en een briefje achterlaat op tafel. We delen zowel de emoties van de tiener die de middelmatigheid van haar ouders beu is als die van haar vader en moeder, voor wie haar vertrek als een donderdag bij heldere hemel komt.

Vroeger knelde het gezin als een korset; nu doet het eerder denken aan zo’n tentdoek vol gaten waar lucht en regen doorheen komen. Dat is de meest gangbare visie op het debacle waar de individualistische revolutie toe leidde. Is het dan niet vreemd dat deze in Frankrijk gepaard gaat met een uitzonderlijk hoog geboortecijfer, het resultaat van een slimme politiek (crèche, ouderschapsverlof) die het hebben van een baan voor vrouwen niet tot vijand maar tot bondgenoot van het moederschap maakt? Frankrijk heeft de lastige samenvoeging van moederschap encarrière beter voor elkaar gekregen dan zijn Duitse buurman, ook al zijn de moeders bij ons gemiddeld ouder.

Is het niet opmerkelijk dat de afbrokkeling van het huwelijk hand in hand gaat met een groeiend verlangen om ‘een gezin te stichten’, ook door degenen die dat traditioneel niet konden, de leden van de minderheden? Op dat vlak ontbreekt het de conservatieve klaagzang aan werkelijkheidszin, want onze democratieën bouwen de vormen van solidariteit die ze hebben vernietigd op andere fundamenten elders weer op. Ze geven blijk van een opmerkelijk zelfregulerend vermogen bij het vinden van de balans tussen experiment en voorzichtigheid, en weten de dubbele valkuil van anarchie en verstarring te vermijden. Verwantschappen brokkelen af en ontstaan opnieuw, als de fragmenten van een enorm tapijt dat voortdurend in beweging is.

Het gezin keert terug, maar op een andere plaats, verbonden door niets anders dan genegenheid, dienstbaar aan zijn leden en verenigbaar met de ontplooiing van elk van hen, groot of klein. Veelbetekenend feit: ouders vinden het geen probleem als de vriend of vriendin van hun kind op bezoek komt en blijft slapen, iets wat vóór de jaren zeventig van de afgelopen eeuw ondenkbaar was. Het belang van de hechte band weegt zwaarder dan de conventies. Het gezin maakt van ons een schakel in een lange keten die er eerder was dan wij en er ook na ons nog zal zijn. In een tijd waarin elke generatie zichzelf als een volk apart beschouwt, waarin tieners en senioren zich afzonderen met hun soortgenoten om hun rituelen te smeden, went het gezin ons aan een vorm van zij aan zij tussen jongeren en ouderen. Het is open en gastvrij en wil twee voorheen onverenigbare waarden met elkaar verzoenen: onafhankelijkheid en geborgenheid. Kortom, het vraagt ons uit vrije wil opnieuw te gronden wat ons is opgelegd door geboorte en toeval. Ieder doet zijn eigen zin binnen de grenzen van een gemeenschappelijke code, en het vangnet is er voor iedereen.

Tegenwoordig kiezen we voor nakomelingen in plaats van ze te ondergaan: niets is zo raadselachtig als de kinderwens die ons laatste heilige huisje vormt. Het kind is geen vrucht van het toeval meer, maar het product van de wil. De twee partners besluiten over het moment van vruchtbaarheid, de anticonceptie schakelt tijdelijk de anonieme kracht van het instinct uit: vrijen is natuurlijk, baren is kunstmatig. Maar een volledig geprogrammeerde geboorte is een loodzware last: voor de mens die ter wereld gaat komen zullen we tot onze dood verantwoordelijk zijn! We nemen kinderen om allerlei slechte redenen: om onszelf gerust te stellen, om een verlengstuk van onszelf te creëren, om via hen te kunnen wat we zelf niet hebben gekund. Maar we houden om de beste redenen van ze: domweg door te bestaan sturen ze onze narcistische projecties in de war en doorkruisen ze voortdurend onze verwachtingen. Het is het wonder van de pasgeborene die zich onmiddellijk in de verrassing nestelt: hij bevestigt niets, schept onzekerheid, belichaamt het anders-zijn.

Iedereen die zijn eigen geluk meent na te streven werkt eigenlijk aan de vernieuwing van de mensheid. In die dialectiek van particuliere intenties en algemene doelen is het toppunt van egoïsme ook het toppunt van altruïsme. Voor onze kinderen willen we offers brengen waar geen enkele beloning tegenover staat. Zij vormen het laatste, vleselijke vaderland waarvoor we bereid zijn ons leven te geven.

Volgens diezelfde logica hebben hertrouwde ouders alleen nog maar meer plichten, want ze moeten nu ook voor de kinderen van hun nieuwe partner zorgen – stiefkinderen die onder hetzelfde dak wonen zonder dat er een bloedband tussen hen bestaat – met het altijd dreigende gevaar van een slechte verstandhouding. Door de wetenschappelijke vooruitgang en de veranderde mentaliteit zijn er tegenwoordig de gekste zwenkingen in de tijd mogelijk: het dragen van andermans kind, bijvoorbeeld dat van je dochter en je schoonzoon, de kunstmatige baarmoeders die er over enkele decennia misschien wel zijn, een maagdelijke jonge vrouw die kunstmatige inseminatie wil om elke seksuele omgang te vermijden, een oude vader wiens laatste zoon jonger is dan zijn kleinkinderen, een rijke man die besluit in zijn eentje kinderen te nemen, zonder vrouw, de commerciële uitbating van cellen en baarmoeders Voor onze voeten lijkt een gapende afgrond open te gaan die alle vaste waarden overhoop gooit. Maar dat komt doordat we volop nieuwe gezinsvormen aan het ontdekken zijn: onze angst is die van de overgang, niet die van het eind.

‘Gezinnen, ik haat jullie! Potdichte huizen, vergrendelde deuren, kluizen van opgepot geluk’, zei André Gide. ‘Gezinnen, ik hou van jullie’, luidt het terechte weerwoord van filosoof en voormalig onderwijsminister Luc Ferry, die de toegenomen macht van het privéleven roemt. Misschien moeten we nuanceren: gezinnen, ik hou van jullie maar niet elke dag. Die menselijke concentraatjes hebben nog altijd dezelfde januskop: tegelijk schuilplaats en gevangenis. Enerzijds blijdschap omdat je je beschermd voelt, omdat er ergens een deur voor je open staat, omdat er mensen zijn die je willen verzorgen, willen voeden. De onvervangbare rol van de huizen waar we als kind hebben gewoond, die zo veel heerlijke herinneringen in zich samenballen. Wat is er aangenamer dan het vrijwillige gemeenschapsleven tijdens grote feestdagen? Alsof die grote, wijdvertakte huisgezinnen voor één avond, één dag al hun energie, al hun warmte in dienst stellen van ieder individu: de affectieve last wordt verspreid, een heel netwerk van loyaliteiten neemt het gewicht van die ene loodzware verplichting weg.

Zei Barack Obama niet dat het weerzien bij hem thuis met Kerst, waarvoor familieleden uit alle windstreken overkwamen, wel op de zittingen van de algemene vergadering van de Verenigde Naties leek? Het is het mirakel van die kleine gezelschappen waarin we ons direct op ons gemak voelen en zelf mogen bepalen met wie we het liefst praten, een oom of een vergeten nicht bij wie we naar de verstandhouding kunnen gaan hengelen die we niet meer met onze verwekkers hebben.

Anderzijds blijft het gezin een symbool van opsluiting. Het blijft het overgeërfde, niet het uitgevonden deel van het bestaan. Het zit ons soms achterna tot aan de andere kant van de wereld, gooit een lasso om onze nek, en hoe meer we het verwerpen, hoe meer we het kopiëren. Binnentreden in de intimiteit van sommige stammen is alsof je een steen optilt waaronder de pissebedden krioelen: afkeer, rancune, afrekeningen. Hoe vriendelijk ze er ook uitzien, het zijn compacte blokken die hun geheimen niet prijsgeven. De ergste gruweldaden vinden er plaats: verkrachting, incest, moord. De gedachte dat het mogelijk is om van die mensen af te stammen, om eenzelfde naam met hen te delen, is soms misselijkmakend. Maar er bestaan ook andere, zachtmoediger clans, die zich wentelen in onderlinge bewondering en de vreemdeling alleen ontbieden bij wijze van spiegel om hun stralende glorie te staven. Wij zijn zo mooi in uw ogen, kom dat gerust nog eens zeggen! De familieliefde is onbetwistbaar – maar houdt vaak op voor de deur van de notaris, wanneer het testament moet worden voorgelezen en broers en zusters elkaar met nog maar net opgedroogde tranen in de haren vliegen om de hoofdprijs.

Wij zijn op dit gebied van het ene ziektebeeld in het andere vervallen: vroeger een gevoel van gevangenschap in het besloten ouderlijk huis, tegenwoordig een gevoel van verlatenheid. De Engels-Letse filosoof Isaiah Berlin zag in de Victoriaanse tijd de triomf van de claustrofobie: gevangenschap en bekrompenheid. Voor onze tijd had hij de tegenovergestelde kwaal in gedachten: agorafobie. De angst voor een oceaan zonder dijken en zonder richting. Door een overdaad aan autonomie zouden we achterblijven in een affectieve woestijn, verstoken van houvast; het gewicht van één enkele bevoogding zou ons verpletteren. Om eerlijk te zijn zouden we beide willen, maar dan zonder de nadelen: solidariteit minus afhankelijkheid, de band maar niet het touw. Familie moet er zijn voor ons zonder dat wij er zijn voor haar, ze moet ons indien nodig vertroetelen en anders negeren.

[Collage van passages uit boek Le Paradoxe amoureux, 2009. Verschenen in Trouw, 3 juli 2010, vertaling © Martin de Haan.]

Print Friendly, PDF & Email