Eugène Savitzkaya, ‘Het oerkippenhok’

Alom opschudding en consternatie in het kippenhok van Kea. De kippen werd de dood aangezegd en de dood bleef niet uit, die veren rondstrooide en op de roesten vastgekoekte excrementen liet opwaaien tot ongelofelijke hoogten, vanwaar ze traag neerdwarrelden op ons, stof waarvan we zonder het te beseffen aten en dronken, waarin we ons dagelijks baadden, stofdeeltjes waarmee we sporen uitzetten en tekens vormden. Daarna volgde vergetelheid. Een groot aantal gezichten verdween onder een dunne stoflaag, rood, geel, blauw en wit. Een regenboog ging open in die kleuren, het drekblauw nam er een royale plaats in, het bloed ook en het blanke dons. Toen kwam er een speltoogst en een gerstoogst en werden er nieuwe poeders omhooggedreven, die in kolommen oprezen boven de velden. Vinken schudden er hun met kamperfoelievulsel verzwaarde vleugels uit. De wereld nam zijn plaats in op de as en wentelde steeds sneller in het rond. Vanwege de rotatiesnelheid werden de wolken die op grote hoogte hingen uitgerekt en tegen de grond gedrukt. Het zand stroomde en loosde minuscule korrels ijzer. Eerst waren wij roodhuidig en roodharig, maar doordat de nachten zich aan elkaar bleven rijgen, doordat we telkens bang werden en draaierig, verbleekten we ietwat. Sommigen gingen liever gelijk op met de ijlvlucht van het hemellichaam, anderen zetten zich schrap tegen grote stenen, want zou de beweging die hen uit evenwicht had gebracht onverhoeds rechtsomkeert maken, dan zouden ze voorgoed de chaos in tuimelen, terug naar de cloaca.

[Eugène Savitzkaya, ‘Le poulailler d’origine’, in: Propre à rien, nouvelles 1977-1995, Didier Devillez, Brussel 2010. Vertaling Rokus Hofstede, ten behoeve van de themaspecial ‘Poëtica van de overmoed. Burgers, multinationals en neuroten’, Poetry International, 16-06-2011]

Print Friendly, PDF & Email