Stockholmsyndroom

Onder de al dan niet fictieve portretten van de legendarische Corentin die Pierre Michon in het openingshoofdstuk van De Elf de revue laat passeren, noemt hij ook een tekening van Georges Gabriel, bekend om zijn portretten van vooraanstaande revolutionairen. Helaas blijkt het om een ander te gaan:

Met spijt in het hart ga ik voorbij aan de potloodtekening van Georges Gabriel, die lang gold als zijn gezicht, waarop hij andermaal met een hoed op te zien is, en face, de ogen uitpuilend, bangelijk, beledigd, alsof hij is gesnapt bij een diefstal, en die me aan een beroemd geëtst zelfportret van Rembrandt doet denken; we weten tegenwoordig dat het ofwel om schoenlapper Simon gaat, beul en nar van de kleine Lodewijk XVII in de Temple-gevangenis, ofwel om Léonard Bourdon, een losgeslagen sansculotte uit het jaar II die in thermidor van kamp wisselde.

De zin staat op pagina 2 van De Elf en de informatiedichtheid ervan is hoog, al speelt ’s lezers voorkennis hier natuurlijk een doorslaggevende rol. Elke Franse lezer weet dat een sansculotte een volkse oproerling was en dat thermidor verwijst naar de val van Robespierre en het einde van de Terreur, anders dan de nietsvermoedende Nederlandstalige lezer, die pas in het nawoord over die termen wordt bijgepraat. Daarentegen weten alleen historici van de Franse Revolutie dat de jakobijn Bourdon, die later in De Elf nog een opvallende bijrol krijgt als achterdochtig opdrachtgever, de naam had een bloeddorstig, corrupt en decadent revolutionair te zijn. En hooguit een enkele lezer zal zich herinneren dat Lodewijk XVII, het in 1785 geboren zoontje van de in 1793 onthoofde koning Lodewijk XVI, in 1793 en 1794 opgesloten zat in de Temple-gevangenis, waar hij werd bewaakt door Antoine Simon, schoenlapper.

De tekening van Gabriel en de ets van Rembrandt vertonen inderdaad wel enige gelijkenis, vooral in de blik van beide geportretteerden.

Schoenlapper Simon, aan wie een van de 53 noten in De Elf is gewijd, leefde van 1736 tot 1794; hij belandde twee dagen na de val van Robespierre onder de guillotine. In De Elf keert Simon nog enkele keren terug, als embleem van de oudere Corentin, conform de Michon dierbare techniek van de interne verwijzing:

een stralende jongeman die met het ouder worden verandert in een afgeleefd, gemeen sujet, een door de tijd dermate van zichzelf vervreemd gezicht dat het kon worden verward met Simon, een van de gemeenste schepsels uit die aan monsters zo rijke tijden

maar ik kan niet wachten tot ik bij de ander uitkom, de slinkse, leeftijdloze man die op schoenlapper Simon lijkt

alles [werd] verzwolgen, schoonheid, wilskracht en zelfvertrouwen, zwak voor vrouwen, deze wereld; hij werd die ander, de tweelingbroer van schoenlapper Simon

Eens zal dit jongetje het smoel hebben van schoenlapper Simon en door Diderot schertsenderwijs die oude krokodil van een François-Élie worden genoemd

het jaar 1784, het jaar waarin La Pompe de Frimont hem in een brief vraagt of hij er wel aan heeft gedacht om ‘de grote grijswitte mantel en de driekante steek van dezelfde kleur mee te nemen’ (en daaronder, iets waar La Pompe niet over spreekt, de Voltairiaanse karikatuur, het grimmige smoelwerk van schoenlapper Simon), ‘want de winter strengt’

Enige onduidelijkheid blijft het personage van Simon omringen, de simpele ziel en fanatieke revolutionair die de geschiedenis is ingegaan als ‘een van de gemeenste schepsels uit die aan monsters zo rijke tijden’. Volgens Michon is die kwade reputatie geen karikatuur uit de koker van royalistische historici, maar zijn de republikeinse historici eenzelfde mening toegedaan. Toch is het opmerkelijk dat de snode Simon de genegenheid van de piepjonge Lodewijk XVII wist op te wekken, zozeer zelfs dat het jongetje op het proces van zijn moeder Marie-Antoinette tégen haar getuigde: zij zou nota bene incest op hem hebben gepleegd. Die genegenheid vormt een exemplarische illustratie van het zogeheten Stockholmsyndroom. Of Simon werkelijk de verdorvenheid zelve was, blijft een open vraag.

Print Friendly, PDF & Email