Alles van nut is betekenisloos: Walter Benjamin

Walter Benjamin (1892-1940) was een van de oorspronkelijkste Duitse denkers van de vroege twintigste eeuw. Met zijn taal- en geschiedfilosofie, die het aanzien heeft van een niet-religieuze theologie, kan hij als de Joodse tegenhanger van zijn tijdgenoot Martin Heidegger worden beschouwd. Benjamin stierf jong en onbekend door aan het begin van de Tweede Wereldoorlog een einde aan zijn leven te maken na een mislukte poging om naar Spanje te vluchten. Hij zou zelf verbaasd zijn geweest over de roem die hem na de oorlog ten deel viel.

Alles wat hierboven staat is waar, en toch zegt het weinig. Ook het toevoegen van extra informatie heeft niet erg veel zin. In Berlijn geboren uit een rijke Joodse familie, gestudeerd in Freiburg (net als Heidegger, met wie hij zelfs een college samen heeft gevolgd), in 1914 om medische redenen ontsnapt aan de mobilisatie, gestrand in zijn pogingen een universitaire carrière te beginnen, jarenlang aarzelend tussen zionisme en marxisme, naar Parijs gevlucht toen de nazi’s in Duitsland aan de macht kwamen, auteur van een groot aantal literair-kritische en filosofische beschouwingen die nu als baanbrekend worden beschouwd. Het is allemaal waar, en toch raakt het de kern niet: dit soort informatie is hooguit nuttig om je toehoorders mee te imponeren tijdens een feestje.

Benjamin was ervan doordrongen: alles van nut is betekenisloos. Feitelijke informatie, de beroemde ‘achtergrondinformatie’ waarmee middelbare scholieren geacht worden de boeken van hun leeslijst te lijf te gaan, werkt averechts omdat het raadsel van het kunstwerk er niet door wordt ontsloten, maar juist door wordt verhuld. Je kunt je zelfs afvragen of Benjamins afkeer van het cultureel of economisch nuttige, waarmee alles tot ruilmiddel wordt, niet nauw samenhangt met de tegenspoed die hij zijn hele leven heeft geoogst, en waarvan hij zich zeer wel bewust was. Hannah Arendt, die in een boekje van honderd bladzijden meer zinnigs over hem zegt dan de dikste biografieën, noemt in dit verband het door Benjamin vaak geciteerde ‘bucklicht Männlein’ uit de populaire versjesbundel Des Knaben Wunderhorn, het gebochelde mannetje dat voor de pech in ons leven zorgt. Stuurde Benjamin aan op zijn eigen pech, om maar niet nuttig te hoeven zijn?

Een Berlijnse rijkeluiszoon die nooit echt zou werken voor zijn brood. Hij verdiende wel wat met zijn artikelen voor kranten en tijdschriften, aan het eind van zijn leven vooral met bijdragen aan het door Adorno en Horkheimer gedreven Zeitschrift für Sozialforschung, maar nooit namen zijn schrijfactiviteiten de vorm van een beroep aan: Benjamin was ondanks zijn permanente geldzorgen in feite een dilettant, net als de door hem bewonderde en vertaalde Marcel Proust, ook al zo’n voortbrengsel van de gegoede burgerij. Schrijven is geen beroep, kán geen beroep zijn zonder dat het zichzelf verloochent. Het is een aristocratische bezigheid, een vorm van wat Montaigne oisiveté noemde: ledigheid, nietsdoen – nutteloosheid.

Het beeld dat Benjamin zelf graag gebruikt is dat van de flaneur, de straatslijper die doelloos door de stad struint. Doelloos, dat wil zeggen met de blik niet op de toekomst gericht zoals de zich voortbewegende massa, maar op het heden als ruimte waar de dingen zich openbaren in hun geheime, unieke betekenis. De flaneur is een verzamelaar van dingen zonder nut en economische waarde, zoals Benjamin zelf een verzamelaar van boeken was: niet om ze later met winst te verkopen, niet vanwege hun materiële schoonheid, zelfs niet om ze te lezen (hij verzamelde ook kinderboeken), maar vanwege hun uniciteit – hun ‘aura’, zoals hij de uitstraling van het unieke kunstwerk zou noemen in een van zijn bekendste studies, Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid.

Hannah Arendt slaat een mooi suggestief bruggetje tussen de doelloze, toekomstblinde flaneur en het aan een aquarel van Paul Klee ontleende beeld waar Benjamin zijn late geschiedopvatting aan ophangt, dat van de Angelus Novus. Deze Nieuwe Engel, die met open mond en gespreide vleugels op het punt lijkt te staan om zich achterwaarts te verwijderen van datgene waarnaar hij staart, kan volgens Benjamin als model voor de geschiedenis worden gezien:

‘Zijn gelaat is naar het verleden gekeerd. Waar aan ons een reeks gebeurtenissen verschijnt, ziet hij één enkele catastrofe die onophoudelijk puin op puin stapelt en voor zijn voeten smijt. Hij zou wel willen blijven stilstaan, de doden willen wekken en het stukgeslagene samenvoegen. Maar uit het paradijs waait een storm, die in zijn vleugels verstrikt is geraakt en zo sterk is dat de engel ze niet meer kan sluiten. Deze storm drijft hem onstuitbaar de toekomst in die hij de rug toekeert, terwijl de puinstapel vóór hem ten hemel rijst. Datgene wat wij de vooruitgang noemen is die storm.’

Vooruitgang is voor Benjamin geen positief begrip zoals het dat voor de sociaal-democratie is. De geschiedenis is volgens hem geen proces dat zich op dialectische wijze ontwikkelt naar een einddoel, bijvoorbeeld de klasseloze maatschappij, integendeel: de redding kan alleen plaatsvinden door een onderbreking van de vooruitgang, door een openbreken van de geschiedenis naar iets wat buiten de tijd ligt. Overigens is het niet toevallig dat Benjamin deze ‘zwak messianistische’ geschiedopvatting presenteert in zwaar metaforische bewoordingen, waarin voor ‘nuttige’, wetenschappelijke helderheid geen plaats is. Taal is geen instrument waarmee de buitentalige waarheid kan worden overgeheveld van het ene stel menselijke hersenen naar het andere, maar een medium waarin de dingen zelf tot ons kunnen spreken. Niet de mens spreekt, maar de taal, zegt Heidegger; Benjamin moest niets van zijn voormalige medestudent hebben, maar met zijn mystieke taalopvatting bevindt hij zich veel dichter in diens buurt dan hij zelf waarschijnlijk vermoedde. Het grootste verschil is misschien wel dat Benjamins verbrokkelde denken onmogelijk tot een systeem, ideologie of religie kan verworden, zoals dat met Heidegger wel is gebeurd.

De metafoor, het vergelijkende beeld, is voor Benjamin de drager van de waarheid, die zonder tussenkomst van de ratio in een flits twee dingen aan elkaar kan verbinden, daar waar de traditionele waarheidstaal (het filosische en wetenschappelijke jargon) een moeizame verstandelijke codering en ontcijfering vergt. In die voorliefde voor het flitsende beeld stond Benjamin trouwens allerminst alleen, hij deelde die met de surrealisten en met romanciers als Kafka en Proust, over wie hij ook uitgebreid heeft geschreven. Het proustiaanse moment bij uitstek, het in de thee dopen van de madeleine en de daarop volgende herrijzing van de ‘verloren tijd’, is zelf ook door en door metaforisch: het een roept het ander op door middel een overeenkomstrelatie, die ‘toen’ en ‘nu’ doet samensmelten. Als een Derrida avant la lettre was Benjamin er echter van doordrongen dat dit metaforische verwijzen pas tot stilstand kan komen in het goddelijke samenvallen van ding en naam.

Erg marxistisch klinkt dat allemaal niet. Toch was Benjamin een belangrijk medewerker van het jonge Institut für Sozialforschung (de latere Frankfurter Schule), dat hem vanuit New York financieel ondersteunde toen hij als balling in Parijs leefde na zoals haast alle Joodse intellectuelen uit Duitsland te zijn weggevlucht voor de nazi’s. Maar Theodor Adorno, de ongekroonde koning van de beweging, besefte als geen ander dat zijn vriend onmogelijk in het neomarxistische gareel kon worden gedwongen. Het idee van een dictatuur van het proletariaat moet de dilettante bourgeois Benjamin zijn voorgekomen als een ver-van-mijn-bedshow of nog erger – wat hem er niet van weerhield goed bevriend te raken met de grote marxistische dichter Bertold Brecht, tot grote ergernis van vriend Adorno.

De dubbelzinnige houding van Benjamin ten opzichte van het marxisme blijkt misschien wel het beste uit zijn behandeling van het begrip ‘aura’. Aanvankelijk lijkt hij die magische uitstraling van het autonome, unieke kunstwerk positief te waarderen en de verdwijning ervan door de opkomst van technische reproductiemiddelen te betreuren, later lijkt hij de nieuwe technologie en met name de filmkunst met zijn eindeloze herhaalbaarheid en dus toegankelijkheid voor de massa’s juist te omarmen als manier om de revolutie te bewerkstelligen. Adorno zag in die ogenschijnlijke omslag een Brechtiaanse invloed, Brecht vond het idee van een aura als zodanig al een onverteerbare mystificatie. Waarschijnlijk is de paradox onoplosbaar en heeft het begrip voor Benjamin zowel een positieve als een negatieve waarde: een positieve binnen het ‘oude’ systeem van zijn geliefde negentiende eeuw, een negatieve in de moderniteit waarvoor dat systeem inmiddels heeft plaatsgemaakt. Benjamin is evenzeer een nostalgicus als een modernist.

Maar lijnrecht tegenover Benjamins dubbelzinnige marxisme stond een vriendschap die waarschijnlijk veel zwaarder voor hem telde: zijn bijna levenslange band met Gershom Scholem, de zionistische en kabbalistische jeugdvriend die Benjamins mystieke vlam brandend hield. Werner Fuld heeft een Benjamin-biografie geschreven met de mooie titel Zwischen den Stühlen, en inderdaad lijkt het vaak of zijn studieobject nooit ergens comfortabel kan gaan zitten, maar altijd tussen twee stoelen aarzelt. De marxisten vonden de zionisten ‘Joodse fascisten’, omgekeerd vonden de zionisten de Joodse marxisten ‘rode assimilationisten’. Alleen Walter Benjamin kreeg het voor elkaar om deel te nemen aan een belangrijke neomarxistische beweging en geïnspireerd door een kabbalistische vriend tegelijk ook concrete plannen te smeden voor een emigratie naar Jeruzalem – plannen die telkens nog even werden uitgesteld, tot het te laat was.

Benjamin had tijdens zijn leven één grote ambitie: de meest vooraanstaande Duitse criticus van zijn tijd te worden. Dat is hem niet gelukt, maar na zijn dood heeft hij de schade ruimschoots ingehaald. Niet alleen kunnen we terugkijkend vaststellen dat hij met zijn studies over Goethe, de romantiek, het barokke treurspel, Kafka, Baudelaire en tal van andere literaire onderwerpen inderdaad verreweg de belangrijkste literaircriticus van zijn tijd was, we kunnen gerust ook zeggen dat hij een van de belangrijkste denkers van die tijd was. Hoe veelzijdig en meerduidig zijn werk was, blijkt wel uit de latere receptie ervan, die vanuit de meest uiteenlopende hoeken komt – alsof Benjamin niet één, maar verschillende denkers was.

Vooral zijn messianistische geschiedopvatting heeft de pennen van latere filosofen in beweging gebracht, onder wie de gezworen vijanden Jacques Derrida en Jürgen Habermas, maar ook zijn studies over de moderniteit (met name zijn onvoltooide Passagenwerk) worden nog altijd driftig becommentarieerd. De filmtheorie, de deconstructivistische literatuurtheorie, de politieke theologie, de pedagogie, de hedendaagse kunst zelf, allemaal hebben ze zich door Benjamin laten inspireren. Dat hij desondanks geen canonieke auteur is geworden, heeft behalve met de ondoorgrondelijkheid van zijn werk vooral ook te maken met het feit dat zijn denken niet als een systeem kan worden toegepast – geïnstrumentaliseerd, nuttig gemaakt.

Dat betekent niet dat er voor de niet-specialist geen leesplezier aan zijn werk te beleven valt. De beste toegang ertoe is misschien wel Kinderjaren in Berlijn rond 1900, een late tekst uit de Parijse tijd, waarvan het in 1981 teruggevonden definitieve typoscript onlangs in prachtig Nederlands is vertaald door Hans Driessen. In een dertigtal losse, beeldende stukken schetst Benjamin een beeld van het Berlijn waar hij werd geboren, en tegelijk ook van zijn eigen jeugd. Iets van de geest van de Angelus Novus, de engel van de geschiedenis, is hier voelbaar: met zijn rug naar de toekomst kijkt Benjamin naar de brokstukken van een verleden waaruit hij is verdreven als uit het paradijs – het paradijs van de dingen, die nog samenvielen met hun eigen naam.

De vraag is alleen of dat paradijs ooit heeft bestaan. Was de verloren tijd niet altijd al verloren, en is de proustiaanse madeleine-ervaring niet gewoon een mooi sprookje dat zoals alle metaforen niet kan bestaan zonder een leap of faith? Dat is misschien wel het meest bijzondere aan Walter Benjamin: hij wil geloven in de verloren oorsprong, maar laat tegelijk zien dat er alleen maar scherven zijn. Altijd tussen twee stoelen.

[Filosofie magazine, februari 2016]

Print Friendly, PDF & Email