Marie-Hélène Lafon, ‘Nacht’

De nacht valt niet, hij klimt.

Zwanger van de donkere wind die over naamloze contreien heeft gezwalkt, loeit hij langdurig en drukt zijn vochtige snuit tegen de muren van huizen, waar weggedoken mensen zich warm houden in de gele lichtkring van lampen of aan de rand van de televisie.

De kleinen van de mensen vrezen hem, hun zachte, nieuwe lijven zijn beducht voor zijn reuzenbeet. De lichtjes van de hoogmoedige steden doorboren hem en zouden over hem willen triomferen, hem in het nauw willen drijven, hem opjagen tot in zijn vergeten schuilhoeken, maar hij weet van geen wijken, iets houdt vol en dringt aan, iets wat in het bloed van vee en mensen vloeit en huivert onder hun huid.

De dichte nacht gaat open en kwijnt bij het stromen van de maan; ze spannen samen, ze voelen elkaar aan en besnuffelen elkaar en gaan in elkaar op; het is een aandoenlijk mysterie, een weidse ceremonie die we soms betrappen, in het smachtende holst van zomers of achter een raam als we niet kunnen slapen, het gaat ons niet aan, het gebeurt zonder ons en kan zonder ons, wij die aan de rand van het feest blijven staan, die die melk niet mogen drinken en toch verblind van vervoering zijn.

De hoogmoedige nacht knispert van sterren, wijdverbreide, luisterrijke, onverzadelijke, onveranderlijke, vallende, staartdragende, vluge, vluchtende, teruggevonden, aandoenlijke sterren.
De nacht kraakt, en piept en krast. Rijk aan klanken laat hij huizen spreken en wordt doorkruist door verscholen, vagelijk vermoede dieren, tegenhangers van ons wakende bestaan. ’s Zomers wordt hij bewoond door subtiele, machtige geuren, bederf mengt zich erin en op een vertrouwd weggetje worden we terloops overvallen door walmen, onderwijl tastend met onze hand naar het lauwe, met zon volgezogen muurtje.

Honden kennen hem, ze hebben hem getemd en patrouilleren, waakzaam, met gespitste oren, ze lopen voor de buitenstaander uit en volgen hem diehet gewone leven van families rond de tafel en de slaap in gesloten kamers begluurt, op zoek naar spanning en subtiele sensaties.

Bij dageraad trekt de nacht zich terug, hij wijkt en vloeit heen, in zijn lompen gehuld; hij glijdt naar de andere kant van de wereld, hij knippert aan de einder, hij roert zich.

[vier vertaalde prozastukken uit Marie-Hélène Lafon, Album, Buchet-Chastel, 2012, in Terras 14, ‘Elders’, 2018. © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.