Dankwoord Elly Jaffé-prijs 2005

‘De schrijver spreekt (…) over de juiste toon die zo moeilijk precies te treffen is, over zijn vorige boeken die nooit geheel en al geslaagd waren, want “wat gezegd is, is nooit gezegd omdat men het immers anders kan zeggen”. Heeft men iets eenmaal onder woorden gebracht, dan heeft men gekozen voor één mogelijkheid, terwijl men vele andere varianten terzijde laat liggen. Wanneer de schrijver een keuze maakt in het materiaal, begaat hij reeds een onoprechtheid en begint hij te vervalsen.’

Wat ik net voorlas is een passage uit het nawoord van dr. Elly Jaffé bij De Zoon, de allereerste, in 1966 verschenen vertaling van werk van de Franse schrijver Robert Pinget.

> Lees verder

‘En zelfs een bewering is bij mij een vraag’. Memo Barthes

‘Ik zoek een schrijven dat de ander niet verlamt. En dat toch niet gewoon is. Daar zit ‘m de hele moeilijkheid: ik zou een schrijven willen vinden dat niet verlammend is maar daarom niet meteen een ‘jofele’ toon aanslaat.’ (V, 380) Aldus Roland Barthes in een interview met Bernard Henri-Lévy, verschenen op 10 januari 1977, drie dagen na zijn inaugurale rede aan het Collège de France, waar hij op voordracht van Michel Foucault was benoemd tot hoogleraar in de literaire semiologie. De ander niet doen dichtklappen en tegelijk op je hoede zijn voor een al te familiaire toon; persoonlijke betrokkenheid tonen en toch ook wetenschappelijke strengheid niet schuwen – zulke paradoxale uitgangspunten zijn tekenend voor de paradoxale aard van de man die zich bij zijn publieke intrede in de Parijse wetenschapstempel omschreef als een ‘onzeker’, ‘onzuiver’ subject.

> Lees verder

Toekomstmuziek

‘Bij hervertalingen dient uitdrukkelijk de noodzaak van de hervertaling te worden gemotiveerd. Vaak wordt een hervertaling uitsluitend gemotiveerd met de opmerking “de bestaande vertaling voldoet niet / is verouderd”. Met een dergelijke motivering kan het FdvL niet uit de voeten.’

We herkennen dadelijk het strenge Fondsproza. Het Fonds heeft een punt, of zelfs twee. Waarom overdoen wat al gedaan is? Geen enkele vertaling is volmaakt. Moet subsidiegeld niet worden gereserveerd voor het ontsluiten van nog onvertaald werk? En bovendien: wanneer is een vertaling verouderd? Baanbrekende vertalingen kunnen rijpen als originelen en de tand des tijds glorieus doorstaan. Het idee dat vertalingen een levensduur van een kwarteeuw zouden hebben is niet meer dan een gemakzuchtig cliché.

> Lees verder

De Franse letterkunde bestaat niet (in Nederland)

‘Begin februari in Amsterdam. Op de halfjaarlijkse boekbeurs Vers voor de Pers zit uitgever Wouter van Oorschot, zoals altijd met een blik in de ogen die weinig goeds voorspelt, achter zijn tafeltje. Nu de gekte rond Het Bureau van Voskuil is gaan liggen, lijkt het of Van Oorschot even een adempauze neemt. Slechts een handvol nieuwe titels ligt in dummyvorm voor. Eén daarvan is In de hemel zoals op aarde van Jean Rouaud. (..) ‘Daarmee is zijn cyclus klaar?’, vraag ik, behoorlijk overbodig maar je moet wat. De uitgever knikt en vraagt: ‘Heeft u de andere vier gelezen dan?’ Na het bevestigende antwoord mijnerzijds, bast hij: ‘Dan bent u een van de weinigen.’

> Lees verder

Laermans contra Bourdieu: de logica van de verkettering

[Reactie op ‘Een te grove sociologische borstel? Kanttekeningen bij Pierre Bourdieus Les Règles de l’art‘, Rudi Laermans, in: Boekmancahier, 1994:19, p. 6-25]

Wie een stelling van verschillende kanten belaagt, loopt het risico in zijn eigen vuurlinies terecht te komen. Zoiets overkomt Rudi Laermans in zijn brede kritiek op Bourdieus kunstsociologie. Laermans mobiliseert zeer ongelijksoortige argumenten, hij vuurt zijn pijlen af vanuit zeer uiteenlopende hoeken. Al is de algehele strekking van zijn stuk eenduidig, zijn afzonderlijke standpunten zijn dat zeker niet. In deze reactie wil ik op een paar inconsistenties in zijn standpunten wijzen en bij de strekking van zijn stuk een kanttekening plaatsen.

> Lees verder

De Meester van Etterbeek

‘Chocolocola, ça c’est du bon tabac’, mompelde de Meester, en liet de sigaar van zijn linker naar zijn rechter mondhoek rollen. De bolknak hing schuin naar beneden en schommelde vervaarlijk heen en weer, alsof de Meester er de stukken mee wilde aanwijzen en alvast zijn strategie uitstippelde. Goddank was hij vergeten het ding aan te steken. Sigarenrook heb ik nooit kunnen verdragen.

De Meester schoof mijn biljet van vijftig frank half onder het bord, naast het zijne, en tuurde me een poosje aan vanachter het bolwerk van zijn buik. Zijn ogen waren bloeddoorlopen. Toen deed hij zijn eerste zet: behoedzaam schoof hij de witte e-pion twee velden naar voren.

> Lees verder