Pierre Bourdieu, De regels van de kunst (fragment)

‘De lyriek en het vulgaire’ willen ‘versmelten’ betekent het hoofd bieden aan de ondraaglijke en angstwekkende beproevingen van hen wier taak het is tegendelen met elkaar in botsing te brengen. De hele periode dat hij werkt aan Madame Bovary heeft Flaubert het onophoudelijk over zijn lijdensweg, die soms in regelrechte wanhoop verkeert. Hij vergelijkt zichzelf met een clown die een huzarenstukje aflevert en een ‘razende gymnastiek’ moet uitvoeren; hij verwijt de ‘smerige’, ‘vunzige’ materie hem het lyrische ‘brullen’ te beletten en hij wacht ongeduldig het moment af dat hij zich weer kan bezatten aan de schone stijl.

> Lees verder

Pierre Bourdieu, ‘De goddeloze demontage van de fictie’

Wat de bewustwording van de logica van het spel betreft, en van de illusio die er het fundament van is, heb ik lang gedacht dat die in zekere zin per definitie uitgesloten was, omdat met een dergelijke luciditeit literaire of artistieke projecten zouden neerkomen op een vorm van cynische mystificatie of bewuste misleiding. Tot ik ertoe kwam een tekst van Mallarmé echt tot me te laten doordringen, waarin goed wordt uitgedrukt – zij het op tamelijk obscure wijze – dat de literatuur in objectieve zin een in het collectieve geloof gegronde fictie is, maar ook dat we het recht hebben om aan het literaire plezier vast te houden, tégen alle vormen van objectivering in.

> Lees verder

La dormiveglia

‘Zodra je je ogen sluit begint het avontuur van de slap.’ De stem die zich vanaf de eerste zin van Un homme qui dort (1967) in de tweede persoon enkelvoud tot de lezer richt beschrijft de ervaringen van een Parijse student die, op een dag, wordt overmand door een vreemdsoortige vermoeidheid. Vanaf die dag is het alsof de slaap zijn bestaan beheerst – ook wanneer hij waakt. Hij wijdt zijn aandacht enkel nog aan het vervluchtigende decor van een afwezig leven: de scheuren in het plafond van zijn zolderkamertje, de combinaties van speelkaarten van een patiencespel, de minuscule draaikolken bij een Seinebrug.

> Lees verder

De asbakken van Georges Perec

‘L’écriture contemporaine a oublié l’art d’énumérer’
Georges Perec, ‘Notes concernant les objets qui sont sur ma table de travail'[1. ‘In het hedendaagse schrijven is de kunst van de opsomming in vergetelheid geraakt.’]

Er is een foto van Perec waarop hij ietwat droevig glimlachend de camera inkijkt, zijn hoofd steunend op zijn rechterhand, een dunne cigarillo tussen middel- en ringvinger. Die handgewoonte, wellicht ontstaan uit een dagelijkse schrijfpraktijk, wordt in hoofdstuk 52 van La vie mode d’emploi toegeschreven aan Grégoire Simpson, een vereenzaamde student, dezelfde die ook de anti-held was van een van Perecs eerste romans, Un homme qui dort; in dat boek maakt de hoofdfiguur elke ochtend op dezelfde minuut, op dezelfde plek, op dezelfde manier het zelfklevende strookje papier los dat zijn dagelijkse pakje Gauloises afsluit en streeft hij ernaar, om de drie kwartier een sigaret op te steken.

> Lees verder

Pierre Bourdieu, ‘Literatuur en sociologie’

U ziet geen tegenstelling tussen literatuur en sociologie?

Er bestaat allicht een verschil, maar dat verschil moet niet worden opgeblazen tot zoiets als een onwrikbare tegenstelling. Het spreekt vanzelf dat sociologen niet met schrijvers mogen en kunnen wedijveren. Ze zouden het risico lopen ‘naïeve schrijvers’ te zijn, zoals je ook spreekt van ‘naïeve schilders’: schrijvers die onwetend zijn van de geaccumuleerde eisen en mogelijkheden die in de eigen logica van het literaire veld besloten liggen. Maar ze kunnen in literaire werken wel indicaties of oriëntaties voor onderzoek aantreffen die hun door de censuur van het wetenschappelijke veld worden ontzegd – vooral als ze onderworpen zijn gebleven aan de positivistische filosofie die vandaag de dag de sociale wetenschappen beheerst.

> Lees verder

Philippe Blasband, As (fragment)

Blasband.omslagOp een dag zal ik oud zijn en ook vetter. Mijn haar zal ik kwijt zijn. Ik zal moeizaam lopen, met gebogen rug. De mensen zullen me alleen nog ‘meneer Levy’ noemen en ik zal mijn voornaam vergeten. En op een dag, nog weer later, ga ik dood.

Ik zal een ouwe viezerik zijn. Dan loop ik rond in parken – als parken nog bestaan –, klamp kleine meisjes met geschaafde knieën aan en beloof ze snoepjes. Ik kwijl. Ze trekken hun neus voor me op.

> Lees verder