Georges Simenon, Weduwe Couderc, fragment

Hij liep. Hij was alleen op zeker drie kilometer weg waar om de tien meter schuin de vlijmscherpe schaduw van een boomstam op neerviel, en met grote stappen, maar zonder zich te haasten, ging hij van schaduw naar schaduw. Omdat het tegen twaalven was en de zon bijna op zijn hoogste punt stond, gleed er een korte, lachwekkend gedrongen schaduw voor hem uit, de zijne.

De weg liep kaarsrecht omhoog naar de top van een helling, waar hij abrupt leek op te houden.

> Lees verder

Georges Simenon, ‘Maigret en het dode meisje’ (fragment)

ddi9789023495208Waarin inspecteur Lognon een lijk ontdekt en waarin hij met lede ogen aanziet dat het door anderen wordt ingepikt

Maigret geeuwde, schoof de documenten naar de rand van het bureau.

‘Dit nog even tekenen, jongens, dan mogen jullie naar bed.’

De ‘jongens’ in kwestie waren waarschijnlijk de drie weerbarstigste kerels die het afgelopen jaar bij de Police Judiciaire waren langsgekomen. Een van hen, Dédé werd hij genoemd, zag eruit als een gorilla, en de tengerste, die prijkte met een blauw oog, had de kost kunnen verdienen als kermisworstelaar.

> Lees verder

Opfriscursus alexandrijnherkenning

Een lezer van mijn vorige blogpost wijst me erop dat noch de Franse zin uit de Code pénal, noch mijn Nederlandse vertaling ervan een alexandrijn is. Ik was er al een beetje bang voor, want ons alexandrijnherkennend vermogen is niet meer wat het was. Tijd voor een kleine opfriscursus.

De alexandrijn, die zijn naam dankt aan de 12de-eeuwse Roman d’Alexandre, is in het Nederlands een zesvoetige jambe, in het Frans (dat geen versvoeten kent) een twaalflettergrepige versregel met twee vaste heffingen (de 6e en de 12e lettergreep) en twee vrije – volgens de klassieke regels althans, want sinds Hugo en Baudelaire worden ook vrijere alexandrijnen (zonder cesuur, bijvoorbeeld in drie gelijke delen) correct bevonden.

> Lees verder

Schuin en vlijmscherp

‘Tout condamné à mort aura la tête tranchée.’ Met die vrijwel volmaakte alexandrijn, afkomstig uit de Franse Code pénal, begint het vijfde hoofdstuk van Georges Simenons La veuve Couderc. Het wetsartikel, plotseling opgedoken vanuit de nevelen van de herinnering, krijgt algauw een obsessief karakter voor de hoofdpersoon, Jean: hij moet er steeds opnieuw aan denken, in totaal twaalf keer – één voor elke lettergreep.

Het lijkt een wat vreemd wetsartikel. Alsof de wetgever, bang dat sommige boeven hun gerechte straf zullen ontlopen, voor de zekerheid maar even vermeldt dat élke terdoodveroordeelde toch echt ter dood moet worden gebracht.

> Lees verder

Georges Simenon, De burgemeester van Veurne (fragment)

De burgemeester.omslagHet was vlakbij, nauwelijks vijftien kilometer. Aan de rand van het dorp, waar je de duinen en het groene water van de zee al zag liggen, stonden kleine huizen op een rij, zonder bovenverdieping, elk met een hekje ervoor. De hekjes waren geverfd in blauw, in wit, in groen. Dat van zijn moeder was lichtgroen.
Hij wist dat er tussen alle gordijnen door buren naar hem keken. Hij wist dat er werd gezegd: ‘Het is de burgemeester van Veurne.’
En zij wisten van hun kant dat zijn vader, de oude Joris, tot de dag van zijn dood garnalen had gevist, met zijn paard, dat bij laagwater een net over het strand sleepte.

> Lees verder

Georges Simenon, De blauwe kamer (fragment)

DBK.omslag‘Heb ik je pijn gedaan?’
‘Nee.’
‘Ben je boos op me?’
‘Nee.’
Het was waar. Op dat moment was alles waar, want hij beleefde de scène in het rauwe hier en nu, zonder zich iets af te vragen, zonder te proberen iets te begrijpen, zonder te vermoeden dat er ooit iets te begrijpen zou zijn. Niet alleen was alles waar, alles was ook echt: hij, de kamer, Andrée die languit bleef liggen op het overhoopgehaalde bed, naakt, haar benen wijd, met de donkere vlek van het geslacht waaruit een sliertje sperma liep.

> Lees verder