‘Het lijkt wel of ik kukeleku roep’: Pascale Casanova

Literair critica Pascale Casanova spreekt dit weekend op een congres in Amsterdam over de Frans-Nederlandse literaire betrekkingen. Zij ziet Parijs nog steeds als centrum van de internationale literatuur. Maar de toestand van de hedendaagse Franse literatuur is ‘schandalig’.

‘Ga je in Parijs lunchen met iemand uit het literaire wereldje, dan is het eerste wat je hoort: “Ah! De Franse literatuur is ook niet meer wat ze geweest is!” Het tweede wat je hoort is: “Ah! Paris, c’est fini! Parijs bestaat niet meer!” Ondertussen heeft men het er wel voortdurend over: is Parijs nog altijd de literaire navel van de wereld, en zo ja, hoe lang nog, of toch niet meer, en zo ja, sinds wanneer dan, enzovoort… Iedereen heeft daarover een mening, die samenhangt met de plaats die hij in het literaire universum inneemt.’

De ‘wereldrepubliek der letteren’, de literatuur op wereldschaal, het globaliserende literaire bedrijf, is het studieterrein van sociologe en literair critica Pascale Casanova, auteur van het baanbrekende La République mondiale des lettres. Sinds de dekolonisatie, luidt haar stelling, zijn schrijvers waar ook ter wereld potentiële concurrenten geworden, al maakt niet iedereen evenveel kans in de strijd om internationale erkenning. De mondiale literaire ruimte kent ongelijkheden, tussen centrale en perifere literaturen, tussen dominante en gedomineerde schrijvers. Een groot deel van Casanova’s boek bestaat uit casestudies van vaak marginale auteurs, die de literaire normen van het centrum met succes betwistten en zo de literatuur wisten te vernieuwen – Kafka, Joyce, Faulkner, Beckett, Ibsen, Michaux, Naipaul, Kis.

Casanova is uitgenodigd in het Amsterdamse Maison Descartes, waar van 28 tot 30 november het congres Het Vertaalde Boek wordt gehouden, gewijd aan de Frans-Nederlandse literaire betrekkingen. Ze houdt er een lezing over de geopolitiek van het boek, getiteld: ‘Is Parijs nog altijd de literaire hoofdstad van de wereld?’ Omtrent Parijs, de Franse letteren en de betekenis van vertalingen heeft Casanova in elk geval uitgesproken opvattingen. Reden genoeg om alvast met haar te gaan lunchen.

‘Eigenlijk is La République mondiale des lettres een boek over vertalen. Voor mij is vertalen geen één-op-één-operatie, waarbij een boek uit de ene taal simpelweg een equivalent in een andere taal krijgt aangemeten. Ik zie het als een ongelijke ruil. Een Nederlandse vertaler die een Frans boek vertaalt, is voor een deel afhankelijk van het symbolische kapitaal van de Franse literatuur. In zekere zin verduistert hij dat kapitaal om zijn eigen literatuur te verrijken. Wanneer je uit een dominante taal als het Engels, Frans of Duits vertaalt, doe je aan literaire import. Vertalen is dan een vorm van kapitaalsaccumulatie. Bij vertalingen in een van de grote literaire talen is er eerder sprake van export. Erkenning in een van de literaire centra is een vorm van consecratie, van artistieke huldiging en heiliging, waarmee een schrijver pas echt zijn bestaansrecht bewijst. Er is dus niets mis met zo’n ongelijke ruil, zo werkt de internationale literaire circulatie nu eenmaal.’

Hoewel het gangbaar is om boeken te zien als een vorm van spirituele ‘rijkdom’, blijft het wennen, Casanova’s economisch-religieuze jargon. Haar zienswijze leidt in elk geval tot een geduchte opwaardering van het werk van vertalers, dat volgens Casanova op grote schaal wordt veronachtzaamd. ‘Iemand als Maurice-Edgar Coindreau, de Franse Faulkner-vertaler, is van eminent belang geweest voor de ontwikkeling van de Franse literatuur. Zonder hem geen Claude Simon, geen Pierre Michon. Maar in de literaire encyclopedieën zul je hem vergeefs zoeken. Van Valéry Larbaud weet haast niemand dat vertalen zijn voornaamste bezigheid was.’ Dat een congres over het vertaalde boek geen enkele vertaler op zijn sprekerslijst heeft staan, verbaast haar niet. ‘De blindheid voor het werk van vertalers is vrij onthutsend. Dat heeft te maken met de literaire religie, het uitentreuren herhaalde, allerwegen aangehangen geloof in de singulariteit van de schrijver en in het magische karakter van de literaire schepping. Schrijvers worden daardoor onthechte wezens, boeken lijken zichzelf te hebben geschreven. Ik beschouw literatuur als een collectieve fabricage. Een boek is altijd een variatie op bestaande, historische voorbeelden. Belangrijker nog: eenmaal geschreven moet het worden uitgegeven, becommentarieerd, vertaald, erkend en geconsacreerd door een heel scala aan betrokkenen, die het zijn waarde geven. Vertalers zijn onmisbare schakels in het creëren van literaire waarde. Daar komt bij dat we te maken hebben met een soort onzichtbare nationalisatie a priori, het algemeen heersende idee dat literatuur eerst en vooral nationaal is, dat het binnen de grenzen van een natie ontstaat en alleen daar kan bestaan. Vertalen is in dat perspectief niet meer dan een bijverschijnsel.’

Casanova vat het begrip vertaling ruimer op dan gebruikelijk. Ook werk van auteurs die schrijven in een andere taal dan hun moedertaal, rekent zij ertoe – in Frankrijk bijvoorbeeld Beckett of Cioran. Is het toeval dat in Frankrijk, een intellectuele mogendheid op zijn retour, het werk van die schrijvers zo’n gretig onthaal vindt? ‘De fascinatie voor Cioran heeft zeker te maken met het feit dat hij Franse lezers vleide in hun voorstelling van de nationale literaire geschiedenis. Cioran was in zekere zin Franser dan de Fransen. Een beetje zoals André Makine tegenwoordig, hoewel Makine toch wel een stuk minder geniaal is.’

Casanova begint dan nog sneller te spreken dan ze toch al doet. ‘Het feit dat Makine in het buitenland wordt beschouwd als een groot schrijver, is een goed voorbeeld van de schandalige situatie in de hedendaagse Franse literatuur. De literaire kritiek is ingestort, het literaire prijzenstelsel is corrupt, uitgevers laten elk jaar boeken bekronen die vervolgens grote commerciële successen worden, buitenlandse uitgevers kopen die boeken ook – dus kopen ze vaak slechte boeken. Dan moet je niet verbaasd zijn dat overal ter wereld wordt geklaagd over het peil van de Franse letteren. Het is een vicieuze cirkel. Ook in Parijs wordt het vandaag de dag steeds moeilijker om uit te leggen dat een boek dat succes heeft niet noodzakelijkerwijs een goed boek is. En dus wordt Houellebecq geacht goede boeken te schrijven, want ze lopen als een trein.’ De voor de hand liggende tegenwerping dat een succesvol boek ook niet noodzakelijkerwijs slecht is, wuift Casanova weg. ‘Het komt in de geschiedenis hoogst zelden voor dat die twee gelijk opgaan. In Frankrijk konden voor zover ik weet alleen Zola en Hugo aanspraak maken op literaire autonomie én op verkoopsucces. De hele geschiedenis van de literaire autonomie is geschreven tégen de afhankelijkheid van de markt in. Je kunt hooguit zeggen dat een autonoom werk, een boek dat niet onderworpen is geweest aan enige vorm van externe afhankelijkheid, heel soms de markt verovert, maar dat is in geen geval de regel.’

Is Casanova’s vertrouwen in het literaire bedrijf dus opgekrikt nu niet Olivier Rolin maar de ondoorgrondelijke Pascal Quignard de Goncourtprijs heeft gekregen? ‘Nee, allerminst. Ik heb een hekel aan van die half-academische, half-poëtische gewichtigdoenerij. Ik denk dat de bekroning van Quignard vooral een alibi is voor het prijzenstelsel. Van tijd tot tijd doen de juryleden alsof ze vrij zijn om te kiezen, om het jaar daarop hun machinaties in dienst van een paar uitgevers voort te zetten.’

In haar boek gaat Casanova met bewonderenswaardige omzichtigheid te werk, maar tijdens de Parijse lunch is ze minder bedachtzaam. Het is duidelijk: ook voor haar is literatuur geen afstandelijk object van onderzoek, maar de inzet van strijd, ja van geloof. Getergd reageert ze op de suggestie dat het werk van Houellebecq geraffineerder is dan sommige critici denken. ‘Zou het? Zelf zie ik er niet het minste raffinement in. Voor mij is Houellebecq de douanier Rousseau van de Franse literatuur. Hij is een naïeve schrijver, het is iemand die niets van literatuur af weet. Nu zult u zeggen: douanier Rousseau, dat is niet mis… Houellebecq heeft dus onlangs Balzac en Dostojevski ontdekt. En hij vindt dat we literatuur-met-een-boodschap nodig hebben. Dat betekent dus dat hij ongeveer 150 jaar achterloopt. Sindsdien is de literatuur toch wel een beetje geëvolueerd. Dat critici vandaag de dag romans ophemelen die 150 jaar achterlopen, vind ik vrij dramatisch. In de literaire kritiek is het een belangrijk criterium: wat zijn tijd vooruit is en wat achterloopt. Het is een objectieve, objectiverende maatstaf voor kwaliteit. Het werk van Olivier Rolin bijvoorbeeld is tamelijk ouderwets. Een nieuwe vorm van academisme. En verder hebben we ook wel een beetje onze buik vol van die oude maoïsten die ons de les komen lezen. Maar wat Houellebecq betreft: paradoxaal genoeg bewijst zijn internationale succes dat het Franse literaire kapitaal het ondanks alles nog erg goed doet. Als iemand door de Franse kritiek tot groot schrijver wordt bestempeld, denkt men buiten Frankrijk al snel dat het een groot schrijver is.’

Toch lijkt de waarde van het Franse ‘literaire kapitaal’ vanuit Nederlands perspectief de laatste dertig jaar tanende. Sinds 1970 daalt het aandeel van Franse boeken in het aanbod van vertaalde literatuur, terwijl in die periode ook de Franse avantgardes aan invloed verloren. ‘Je moet de hedendaagse Franse literatuur onderscheiden van de functie van Parijs als centrum van consecratie. Wat de hedendaagse literatuur betreft heeft de drastische commercialisering van het Franse uitgeverswezen geleid tot een aanzienlijke verschraling van het aanbod. De aanpassing aan rentabiliteitsprincipes is in Frankrijk wijdverbreid en zeer verontrustend. Op zichzelf schrijven Franse schrijvers niet minder goed… Enfin, het is mogelijk dat ze minder goed schrijven, ik zou het niet weten. Wat ervan doordringt, is in elk geval minder interessant. De internationale erkenning van de Franse literatuur is zeker afgenomen. Aan de andere kant heb je de functie van Parijs als internationale draaischijf, als “centrale bank”, als centrum van literaire waardebepaling. Het is goed mogelijk dat de hegemonie van Parijs ter discussie staat, dat Parijs niet meer het monopolie heeft, onder andere door de opkomst van rivalen als Londen en New York. De afstanden tussen verschillende Europese landen en tussen Europa en de VS zijn minder groot geworden, de kloof tussen Parijs en andere steden is tot op zekere hoogte gedicht. Toch denk ik dat Parijs objectief gezien nog steeds een heel belangrijke functie heeft. Mensen als Thomas Bernard, Paul Auster, Danilo Kis, Lobo Antunes, auteurs van de Latijns-Amerikaanse golf, veel Amerikaanse dichters, Ashbery bijvoorbeeld, zijn doorgebroken dankzij en via Parijs.’

‘Het is voor mij moeilijk uit te leggen. Want het lijkt wel of ik “kukeleku!” roep, of ik victorie kraai als een Gallisch haantje. Maar het heeft niets met nationalisme of chauvinisme te maken. Door een lange, ingewikkelde geschiedenis is Parijs de enige plek waar autonome, kosmopolitische schrijvers uit kleine literaturen literair bestaansrecht kunnen verwerven. Parijs biedt dat aan schrijvers die het in hun eigen land niet zouden redden. Die internationale functie wordt door New York nauwelijks overgenomen; amper 5 procent van de Amerikaanse literaire productie bestaat uit vertalingen. Ik heb het dus niet over een simpele tegenstelling tussen Parijs en New York of tussen Fransen en Amerikanen. Amerikanen die gedomineerd worden binnen hun nationale literatuur, hebben Parijs ook nodig. Schrijvers die buiten de commerciële constellatie vallen, buiten rentabiliteit en het streven naar een bestseller, hebben Parijs nodig. Het gaat er niet om de literaire wereld te verfransen, het gaat erom die te internationaliseren.’

La république mondiale des lettres, in 1999 verschenen bij Le Seuil, is inmiddels in acht talen (maar niet in het Nederlands) vertaald. Het verschijnt in 2003 bij Harvard University Press onder de titel The World Republic of Letters.

[de Volkskrant, 29 november 2002, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email