Pierre Michon, ‘Koningslichamen’ (fragment)

Het jaar 1961. Herfst vermoedelijk of begin winter. Samuel Beckett zit. Al tien jaar is hij koning – iets minder of iets meer dan tien jaar: acht jaar sinds de première van Godot, elf jaar sinds de samengebalde publicatie van de grote romans door Jérôme Lindon. Er bestaat in Frankrijk niets wat hem het hoofd kan bieden of hem die troon waarop hij zit kan betwisten. De koning heeft, zoals we weten, twee lichamen: een eeuwig, dynastiek lichaam, dat door de tekst tot de troon wordt verheven en gewijd, en dat men naar willekeur Shakespeare, Joyce, Beckett noemt, of Bruno, Dante, Vico, Joyce, Beckett, maar dat hetzelfde onsterfelijke lichaam is, gekleed in provisorische omhulsels; en hij heeft een ander, sterfelijk lichaam, dat functioneel en relatief is, het stoffelijk omhulsel, dat naar de wormen gaat, dat Dante en enkel Dante heet en boven een stompe neus een klein mutsje draagt, enkel Joyce en dan heeft hij beringde vingers en bijziende, onthutste ogen, enkel Shakespeare en dan is het een brave dikke rentenier met elizabethaanse plooikraag.… > Lees verder

Vermaken wil ik mij

Aan zijn Nederlandse vertaler verklaarde Pierre Michon eens dat hij zich, door Petrus bij de hemelpoort gesommeerd om zich voor zijn bestaan te rechtvaardigen, maar op twee teksten zou beroepen: ‘Vie de Georges Bandy’ uit Vies minuscules en ‘Je veux me divertir’ uit Maîtres et serviteurs. Die laatste tekst, verschenen in vertaling onder de titel ‘Vermaken wil ik mij’, is een fictionele biografie van de Franse schilder Antoine Watteau (1684-1721). Op 7 mei jongstleden luisterde Michon in Brussel een literaire avond op naar aanleiding van de (inmiddels afgelopen) Bozar-tentoonstelling met werk van Watteau.… > Lees verder

Le monde est un pervers polymorphe

« En fait, il a l’air d’avoir glissé sa tête dans le trou d’un décor représentant naïvement, dans une petite foire de province, une chasse au lion. » Ainsi Olivier Rolin décrit-il le chasseur de lions, un type pourvu d’une grosse moustache de morse et de larges favoris, qui en 1881 avait été représenté par Édouard Manet dans le tableau intitulé Monsieur Pertuiset, Le Chasseur de Lions. Les aventures d’Eugène Pertuiset occupent la place centrale dans De leeuwenjager en Manet, le dernier roman de Rolin, traduit par Katelijne De Vuyst.… > Lees verder

Michon in Mokum

‘Laten we voor één keer het gebroed waarnaar we door een wreed noodlot zijn verwezen op waardige wijze vertegenwoordigen.’ Voor elke denkbare situatie in het leven is er, zo stelde Pierre Michon afgelopen maandag in het Maison Descartes, een toepasselijke quote te vinden in Becketts Wachten op Godot. Quod erat demonstrandum: waardig was Michons bezoek aan Nederland, het eerste sinds hij, begin jaren ’90, in het Nederlands begon te worden vertaald. In het gesprek met Isabelle Mallez, directrice van het Maison Descartes, werd onder meer duidelijk dat de figuur van François-Élie Corentin niet alleen door zijn fictieve aard afwijkt van andere schilders die Michon heeft geportretteerd, maar vooral door zijn vermogen om onbevangen stoutmoedig te zijn, om alle schroom en zelfbeklag af te werpen – Corentin is un salaud qui réussit, een schoft die slaagt.… > Lees verder

De wereld is een perverse veelhoek

‘Eigenlijk ziet hij eruit alsof hij, ergens op een dorpskermis, zijn hoofd heeft gestoken in een gat van een decor waarop een naïeve voorstelling van een leeuwenjacht afgebeeld staat.’ Zo beschrijft Olivier Rolin de met een volle walrussensnor en brede bakkebaarden getooide leeuwenjager die in 1881 door Édouard Manet werd vereeuwigd onder de titel Monsieur Pertuiset, Le Chasseur de Lions. De avonturen van Eugène Pertuiset staan centraal in Rolins laatste, door Katelijne De Vuyst vertaalde roman De leeuwenjager en Manet.… > Lees verder