Tirade 9: Ajuinlei

Op de zondagse boekenmarkt, aan de Ajuinlei in Gent, vond ik een curieus boekje, daterend van 1896 en getiteld Nieuwe Vlaamsche en Fransche Samenspraken. Het bevat eenvoudige dialoogjes over alledaagse onderwerpen, met, in twee kolommen, broederlijk naast elkaar, het Vlaams en het Frans.

Zo ontspint zich bijvoorbeeld rond het noenmaal een gesprekje: ‘ – Wat zal ik u dienen? Wilt gij wat sop? – Ik bedank u. Ik zal u wat ossenvleesch vragen. Het ziet er zoo goed uit. – Wat stuk eet gij het liefst?… > Lees verder

De Heilige Koe van de standaardtaal

Met het onderwerp van deze lezing, ‘Vlaams-Nederlandse vertaalkwesties’, kun je alle kanten op, en aanvankelijk was dat ook min of meer de bedoeling: ik stelde me voor dat ik een aantal vrijblijvende beschouwingen ten beste zou geven over het vertalen in Vlaanderen en Nederland, voor een deel gebaseerd op mijn eigen ervaringen als Nederbelg. Maar toen ik dit praatje daadwerkelijk begon voor te bereiden leek het me interessanter om alle academische distantie te laten varen en om de tijd die mij hier is gegund te gebruiken voor het innemen van een provocatieve, polemisch bedoelde stelling – niet omdat ik de waarheid in pacht meen te hebben maar omdat ik discussie hoop uit te lokken.… > Lees verder

De verbastering van Baudelaire

‘Er zijn Vlamingen en Walen in België, maar Sire, er zijn geen Belgen’. Die veelvuldig aangehaalde uitspraak, afkomstig uit de brief die Jules Destrée, een linkse Waalse volksvertegenwoordiger, in 1912 stuurde aan de jonge Koning Albert, blijkt met terugwerkende kracht profetisch. In de aanslepende Belgische kabinetsformatie – sommigen spreken van een regimecrisis – staan Vlaamse en Waalse politici als vrijwel gesloten blokken tegenover elkaar; op politiek vlak lijken Vlaanderen en Wallonië twee scherpomlijnde entiteiten waarin taal en territorium een onwrikbaar verbond hebben gesloten.… > Lees verder

Het gebod van Bernlef

Kent u de heelgoedhollander?

Bij het horen van een onbekend woord grijpt een vertaler onmiddellijk naar zijn woordenboek, ook, of juist, wanneer het gaat om een woord uit zijn eigen taal. De ‘heelgoedhollander’, weet Van Dale, is ‘een hollander die dient ter bereiding van het heelgoed’. Uitstekend, maar ga door: ‘heelgoed’ is ‘de geheel bereide pap waarvan papier wordt gemaakt’ en een ‘hollander’ ‘een maal- of roerbak waarin lompen worden fijngemaakt’. Uit Kramers’ Dictionnaire Français-Hollandais (1859) vernemen we nog dat een hollandais ‘een roertrog van Hollandsche papierfabrikanten tot fijnmaking van lompen’ is, en uit de Winkler Prins dat een onbekend gebleven Nederlander aan het eind van de zeventiende eeuw de dubbele kuip uitvond waarin de textielgarens bij de papierbereiding worden vermalen, een werktuig dat nog steeds op grote schaal in gebruik is.… > Lees verder

De paradox van Denissen

‘Zij zijn groot en ik is klein, en dat is niet eerlijk.’

Vlaamse vertalers werden onlangs in de Standaard der Letteren (26/01/2007) door journalist Karel Verhoeven bestempeld als ‘literaire calimero’s’. Aan de hand van diverse recente onderzoekingen en op basis van interviews neemt Verhoeven de ontluisterende situatie van Vlaamse vertalers onder de loep. En inderdaad, het geweeklaag is niet van de lucht onder de vertalers die hij citeert. ‘Je wordt nooit gevraagd’, ‘iedereen is achterdochtig’, ‘je komt altijd op de tweede, derde of vierde plaats’.… > Lees verder