Proust in liefde

‘De buren in de kamer naast mij bedrijven elke dag de liefde met een heftigheid die me jaloers maakt. Als ik bedenk dat ik daar zelf minder bij voel dan bij het drinken van een glas koud bier, benijd ik mensen die zo hard kunnen schreeuwen dat ik eerst meende iemand vermoord te horen worden, maar algauw was ik gerustgesteld over wat er gebeurde toen het schreeuwen van de vrouw een octaaf lager door de man werd herhaald’. Aldus Marcel Proust in een brief uit 1919 aan de zoon van zijn huisbazin, wanneer hij een paar maanden een gehorig appartement aan de Parijse Rue Laurent-Pichat bewoont. Prousts overgevoeligheid voor geluidsprikkels botst in deze passage met zijn nieuwsgierigheid naar de seksuele mores van zijn tijdgenoten. Of speelt vooral zijn eigen tanende libido hem parten?

Een fragment als dit, de petite histoire uit een schrijversleven, gaat erin als koek bij wie alles aan een auteur interessant vindt. Maar levert het nieuwe inzichten op als je weet dat Proust het gegeven van het afgeluisterde gekreun en de verlaagde octaaf heeft gebruikt voor zijn beschrijving van de paringsdaad tussen Jupien en Charlus in de openingsbladzijden van Sodome et Gomorrhe? William C. Carter, auteur van de dikste tot dusver verschenen Proustbiografie (Marcel Proust: a Life, 2000), meent van wel. In het door W. Hansen vertaalde Proust verliefd (oorspronkelijk verschenen in 2006 als Proust in Love) condenseert Carter zijn biografische materiaal en zoomt hij in op het liefdesleven van zijn auteur. Op basis van de memoires van tijdgenoten en de uitputtende correspondentie van Proust zelf schetst hij, in los chronologisch verband, diverse erotische en amoureuze episodes. Zo beschrijft hij Marcels adolescente verlangen om bij zijn schoolvrienden Jacques Bizet en Daniel Halévy op schoot te zitten en zijn smeekbedes aan hun adres om de ‘heerlijke bloesem van de nog niet verboden vrucht te plukken’. Ook staat hij stil bij Prousts hang naar masturbatie; omdat zelfbevrediging in die tijd, ook door Dr. Proust, Marcels vader, werd beschouwd als een oorzaak van neurasthenie en homoseksualiteit, schreef men onanerende jongelingen het drinken van voldoende hoeveelheden alcohol gevolgd door bordeelbezoek voor. Op Marcel had die bordeeltherapie niet het gewenste effect. Eenmaal ter plekke was hij zo nerveus dat hij een nachtspiegel brak en tot overmaat van ramp zijn geld en zijn erectie kwijtspeelde.

Carter gaat nadrukkelijk in op de vraag hoe het nu eigenlijk zat met Prousts seksualiteit: moeten we in zijn portretten van heteroseksuele of biseksuele verhoudingen transposities van homoseksuele ervaringen zien, of had hij daadwerkelijk kortstondige affaires met vrouwen, zoals hij zelf heeft gesuggereerd? Zijn Prousts vrouwelijke hoofdpersonen feitelijk verkapte mannen, en waren de in zijn correspondentie gemaakte opmerkingen over zijn vrouwelijke verliefdheden een rookgordijn om zijn homoseksualiteit – de liefde die ‘haar naam niet durft te noemen’ – aan het zicht te onttrekken? De meningen van Prousts tijdgenoten zijn verdeeld: sommigen meenden dat Proust zelf alleen liefde met mannen kende (zoals hij André Gide in een gesprek toevertrouwde), anderen dat hij ook avontuurtjes met vrouwen had. Carter houdt zich op de vlakte, vanuit het gezonde uitgangspunt dat de vraag naar de homo- of biseksualiteit van Proust of van zijn personages er niet echt toe doet; uiteindelijk staan de kwellingen van liefde en jaloezie los van geslacht en seksuele voorkeur. Wel is het voor Carter een uitgemaakte zaak dat Proust, na in zijn jeugd amoureuze vriendschappen te hebben gekend met de componist Reynaldo Hahn en met Lucien Daudet, zoon van de schrijver Alphonse Daudet, in zijn latere leven sekspartners vond in de arbeiders- of bediendenklasse, jongere mannen die de liefde bedreven voor geld.

Wat volgens Carter niet betekent dat Prousts verklaringen over zijn liefdes voor vrouwen moeten worden gezien als een poging tot camouflage van zijn homoseksualiteit. Zeker is dat vrouwen hem fascineerden en dat hij ze nauwkeurig observeerde en bestudeerde. Bovendien was androgynie voor hem een basisgegeven van de menselijke persoonlijkheid. Met dat idee schaarde hij zich bij de progressiefste denkers van zijn tijd, want juist rond de eeuwwisseling begon in de opkomende seksuologie (bijvoorbeeld bij Von Krafft-Ebing of Freud) het fundamenteel biseksuele karakter van de menselijke natuur een aanvaard gegeven te worden. Proust geloofde dat ook de stem van de schrijver androgyn behoort te zijn: ‘Een schrijver moet vergeten dat hij een geslacht heeft en moet spreken voor al zijn personages’, noteert hij terloops in een brief. Al in een aantekenboekje uit 1908, dus nog ruim voordat de Recherche zoals we die nu kennen in de steigers stond, maakte hij een notitie die de androgyne kanten van zijn eigen onderneming onderstreept: ‘Werken maakt van ons een soort moeder. Soms, als ik meende dat mijn einde nabij was, het kind voelde dat groeide in mijn schoot en niet wist of ik de kracht had om het te baren, sprak ik het met een droeve, lieve glimlach toe: “Zal ik je ooit aanschouwen?”’

Prousts eigen moeder was zijn grote liefde. Die allesoverheersende moederband heeft volgens Carter veel te maken met zijn vergeefse pogingen om andere volwaardige liefdesverhoudingen aan te gaan. Zijn hevige bezitsdrang, zijn jaloerse behoefte aan exclusieve aandacht stootten potentiële geliefden af. De centrale stelling van Proust verliefd is dat ‘de verlangens, seksuele tekortkomingen en ontberingen van de schrijver zijn overgedragen op de Verteller’: beiden lijden aan een ‘onvermogen tot geluk’, zoals Proust het formuleert. In de Recherche wordt de thematiek van de jaloezie, een ‘kwade godheid’ die het geluk van geliefden vernietigt, in vele toonaarden uitgewerkt. Zie bijvoorbeeld hoe Proust in Een liefde van Swann de pathologische aard van de liefde van Swann voor Odette beschrijft, die wordt vergeleken met een ‘ invretende kanker’ of met een ‘ hellekring’. Proust laat er in zijn correspondentie geen misverstand over bestaan dat hijzelf liefde als een ‘egotistisch sentiment’ beschouwt, dat niets te maken heeft met het ‘hart’. Wat hij liefde noemt laat zich overigens misschien beter omschrijven als erotische obsessie; feitelijk gaat het Proust om de fixatie op het beminde lichaam, de tirannieke preoccupatie met de aanwezigheid en beschikbaarheid ervan, en de opgeschroefde verwachtingen, wreedheden en tragische conflicten die daaruit voorvloeien.

Nieuwe biografische feiten brengt Carter niet aan het licht, en aangezien de identiteit van Prousts eventuele sekspartners niet post festum kan worden vastgesteld, moet de biografische vraag naar Prousts eigen seksualiteit tot in lengte van dagen onbeantwoord blijven. Carter richt zich dus vooral op de vele echo’s tussen leven en werk bij Proust. Zijn aanname is dat er daartussen een significante link bestaat, en dat ons begrip van het oeuvre of althans van het eraan ten grondslag liggende scheppingsproces zich verdiept als we weten welke anekdotes of personages uit het leven van de auteur aan de basis hebben gestaan van deze of gene details van zijn roman. Maar welk belang moeten we hechten aan zulke dwarsverbanden? Is het vanuit literair oogpunt een relevante vraag in hoeverre het personage Albertine eigenschappen had van Prousts chauffeur Agostinelli, of welke in de badplaats Cabourg ontmoete jongens model kunnen hebben gestaan voor de ‘meisjes in bloei’? Alle belangrijke personages van Proust zijn samenstellingen, opgebouwd uit personen die hij kende, inclusief zichzelf, en uit zijn verbeelding. ‘Een boek is een enorm kerkhof’, verklaart de Verteller in De Tijd hervonden, ‘waar de namen op de meeste graven vervaagd zijn en onleesbaar geworden’. Wat moet de lezer met de wetenschap dat Proust aan even hevige buien van jaloezie ten prooi was als zijn Verteller of zijn personage Charles Swann? Uiteindelijk lijkt de biograaf weinig anders te doen dan een vergaarbak van pikante geruchten uit te storten over zijn roddelzieke lezer, en zich al doende blind te staren op het ‘maatschappelijke ik’ van de auteur – met voorbijgaan aan het ‘diepe ik’ waar het volgens Proust in zijn tirade tegen Sainte-Beuve om zou moeten gaan.

Maar desondanks, of misschien juist daarom, blijkt Proust verliefd bij nader inzien onverwacht interessant. Wie Prousts leven leest als een veredelde roddelrubriek doet namelijk iets wat verwant is aan een favoriete bezigheid van veel van Prousts personages en ook van Proust zelf. Het is bekend dat hij belust was op achterklap; hij cultiveerde het roddelen in salons en in zijn correspondenties. Toen de Recherche in een vergevorderd stadium was, ging hij zelfs over tot het betalen van zijn informanten; zo gold Olivier Dabescat, maître d’hôtel van het Ritz, waar Proust bekendstond om zijn vorstelijke fooien, geruime tijd als zijn vraagbaak, en zo ontbood hij Albert Le Cuziat, houder van een mannenbordeel, om uit diens mond inlichtingen over de liederlijke praktijken van de vaak aanzienlijke bordeelbezoekers te vernemen. Het ging Proust niet alleen om het plezier van het roddelen maar ook om de literaire merites ervan. Roddels stelden hem in staat zijn roman te stofferen met het soort trivia dat aan de diepe waarheden die hij najoeg hun zintuigelijkheid verleende. Carters boek bewijst dat aandacht voor intieme, soms gênante details uit een schrijversleven geen afbreuk doet aan de bewondering voor wat hij schreef. Hoe langer we stilstaan bij de decepties en frustraties van de auteur en bij de soms smoezelige, groezelige werkelijkheid waarin hij leefde, des te indrukwekkender wordt het werk waarin die al te menselijke wederwaardigheden worden verwerkt en ontstegen. In het slothoofdstuk relativeert Carter dan ook de soms uit de hand lopende anekdotiek uit de voorafgaande hoofdstukken door te focussen op de hoofdthema’s van de Recherche, de vergeefsheid van de liefde, de verwoestende werking van de tijd en het transcendente karakter van de kunst: ‘de zelfzuchtigheid en bezitterigheid van de liefde wijkt voor het grootmoedige, meedogende werk van de schrijver’.

Een detail: bij het citeren uit de Recherche maakt vertaler W. Hansen opmerkelijk genoeg niet gebruik van de bestaande vertaling van Thérèse Cornips. In de talrijke bibliografische noten wordt evenmin naar die vertaling verwezen, zomin trouwens als naar de originele tekst. Wie een citaat wil terugvinden rest niets anders dan de Recherche te herlezen. Dat zou meteen een aardig bijeffect van deze al met al boeiende publicatie zijn.

  • William Carter, Proust verliefd, vertaald door W. Hansen, De Bezige Bij, Amsterdam, 2009.

[De Leeswolf, 16:1 (februari 2010), © Rokus Hofstede]