Clément Pansaers, Pan Pan voor de Poeper van de Neger Naakt (fragment)

Ik ontsnap, weg van tussen gisteren en morgen – in het niet verdwijnend als het regenbooggeluid van twee leeggedronken flessen, die de dronkaard, in een plastisch raccourci, bodem tegen bodem, terechtstelt, naar zijn mening terecht.

Een kogel kuiert over straten, over singels. – Wat zijn die mensen lekker zacht! Op mijn zigzaglijn voltigeer ik, stuiterend van de in zijde ruisende markiezin naar de kolensjouwer met metalen schouderbreedte. Ik stuiter de pan-pan! Ritme, neger van me, hard als diamant! Word je ooit straatrover, dan zul je gehecht zijn aan je revolver.… > Lees verder

Clément Pansaers, Pan Pan voor de Poeper van de Neger Naakt & Bar Nicanor’, nawoord

Met onfranse overmoed trekt de eerste dadaïst die België heeft voortgebracht het heilige huisje van de volzin omver. Pansaers doet wat maar weinig Franstalige dichters durven: morrelen aan de retorische welvoeglijkheid van de taal. Zijn poëtisch proza houdt het midden tussen coherent betoog en woordenbrij; het bestaat uit betekenisflarden, gemagnetiseerd door middel van ritme en klank.

Het mag ironisch lijken een verfranste Vlaming door een Hollander in het Nederlands te laten vertalen en dadaïstische plaquettes uit te geven in een tijd waarin het begrip avantgardisme problematisch is geworden.… > Lees verder

Apologie van de vlijt

Vertalers zijn nederig. Vertalen is een dienende taak. Vertalingen verouderen sneller dan gewone literaire teksten. Vertalen is interpreteren. Vertalingen zijn vingeroefeningen voor eigen creatief letterkundig werk. Trouwe vertalingen zijn slaafs. Vrije vertalingen zijn vlak. Een vertaling is altijd minder dan het origineel.

De clichés liggen voor het grijpen wanneer het over vertalen gaat. Parate dooddoeners zijn veelvuldig te vinden bij luie critici, van het soort dat meent met een enkel terloops adjectief een vertaling afdoende te hebben gekwalificeerd.

Een oratio pro domo is niet wat ik ambieer, maar ik ontkom er niet aan hier iets over mijn wederwaardigheden als object van literatuurkritiek te vertellen.… > Lees verder

Clément Pansaers, Apologie van de luiheid (fragment)

I

Klein prostitueetje…
… Ik, een saterskop?
Jij loopt – ik lanterfant.

… Jou volgen naar je kamer?
– Je bent zo uitgewoond.
Rust wat, peeskat. Ik ben luiheid.

… Mijn hand herinnert zich het orgiastisch koele van je hete huid.
Mijn oor het hijgen van je boezem…
Ik ben luiheid. Lummel wat met mij.
Zo’n wellust in jouw heidense lekkerbekkerij.

Jij denkt aan je schalkse canapeetje?
Ranzige ontuchtvlekken zullen het verluchtigen met een komiek motief –
de verzamelaar met fijne neus vermoedt een antiek patina.… > Lees verder