Clément Pansaers, Apologie van de luiheid (fragment)

I

Klein prostitueetje…
… Ik, een saterskop?
Jij loopt – ik lanterfant.

… Jou volgen naar je kamer?
– Je bent zo uitgewoond.
Rust wat, peeskat. Ik ben luiheid.

… Mijn hand herinnert zich het orgiastisch koele van je hete huid.
Mijn oor het hijgen van je boezem…
Ik ben luiheid. Lummel wat met mij.
Zo’n wellust in jouw heidense lekkerbekkerij.

Jij denkt aan je schalkse canapeetje?
Ranzige ontuchtvlekken zullen het verluchtigen met een komiek motief –
de verzamelaar met fijne neus vermoedt een antiek patina.

… Je antiquair wenst zich vanavond te verpozen?
Blijf toch, stijfkop, haaibaai –
Aan ledigheid laaft zich het uitgehongerd ideaal van je elastieken onderbuik
Je zult hem in de zon te stoven leggen.
Strek je uit op dit lege strand.

… Hij werd zojuist nog door een banketbakker gekneed?
De gisting zal voortreffelijk zijn.
Kom naast me liggen.
Laten we het loflied op de luiheid psalmodiëren.
Door gisting rijst het deeg.

… Je doffe stem? Wat? Zwangerschap?
Vanavond krijg je kruidenkoek.
Hier… biedt niemand zich aan niemand veil.

In de steek gelaten?
Lief loeder dat je bent!
Praat niet zo hard.
De bomen hebben ogen – daar waar hun armen zijn gesnoeid.

Gekweld?
Berouw, dat smoor je.
Lichtschijnsels iriseren je doodsbleke gelaat –
Rouwtoortsen walmen in je ogen.

Vrees niet. Wees onverschrokken.
Bid de litanie van de apoplectische schertsvertoningen in je hol van ontucht.

Stinkende adem – wij hebben lak aan jou.
Klam zweet op de Venusberg – wij vergeten jou.
Tong die waanzin slobbert – wij zien niets meer in jou.
Hondsdolle duizeling – wij staan ver boven jou.

– Beschrijf de visioenen van je ontelbare hemelse bruiloften…
– Op avonden dat ieder uur door schelmse koorts geslagen werd —
een slapte tussen herhaald klokkenspel –
Op dagen van kalme onthouding – schonk jij,
gulzige gierigaard, minstens één keer de teerspijs…

… Talentvol?
Meesteres in slaapwekkende extases
in zweetdrijvende nachtmerries.

… Hou je mond – weelderig dekbed –
Ik ken jou – wondere woestijn
– concentrisch pandgoed
– excentrisch braakland.

… Je bent het beu? – De wereld uit?
Kostelijke grappenmaakster
Ontnuchterd zodra je weg bent van de baan
de tea-room
de alkoof…
De luiheid zal je berijden – je ontbinden.
Ja. Laten we luieren. Hou je mond, laten we luieren…

[…]

… Dédain?
Niet eerloos, niet afzichtelijk –
Wonderlijk tactvol, naast de dienstknecht
wiens slaafse dienstbaarheid verachtelijk is.

Argeloos meisje zonder stonden –
Scharlaken bloedvlek, ‘s nachts, achter het behang van de alkoof…
Je veinst en bent maar een tikkeltje pervers.
Veinzen hoort bij je vak.

… Eenvoudig handwerk, jouw beroep?
Merkwaardig cerebraal – Klein meisje,
haast onschuldig, dat o zo liefjes veinst.
Verfoeilijk ben je niet, want jij veinst louter lievigheid.

… Bijzonder ingewikkeld werk? Dat geloof ik graag.
Daarom ook wil ik met je strijden
– ik inertie – ik luiheid.
Jij bent betoverend geheim – verlichte savante.
Jouw wetenschap omsluit filosofie, kunst,
theologie – en al hun systemen,
al hun surrogaten.

[…]

… Je wilt ontsnappen?
Niet nodig. Je bent vrij.
Jij bent de voorbijgangster – de verdwaalde stoeipoes,
die alleen de stoep kent,
de blik over haar schouders –
haar alkoof
– en de woeker van het strelen.
Pillendoos, die helpt tegen erogeen ongerief.

Mijn beste wensen
– Je ziet, mensenschuw ben ik niet –
aan alle apothekers
– die trouw jouw kweekkamer bezoeken.

In de lente kom ik langs je raam gelopen…

[Clément Pansaers, Apologie van de luiheid, (Fr. L’Apologie de la paresse, oorspronkelijk gepubliceerd bij Uitgeverij Ça ira!, Antwerpen 1921, heruitgegeven door Éditions Allia, Parijs 1996), vertaling Rokus Hofstede, nawoord Benjamin Hennot, Uitgeverij Vantilt 2000]