Caroline Lamarche, ‘Wachtroutes, wachtplaatsen’ (fragment)

[…] Het ziekenhuis is normaal gesproken een doorreis. Zelden een landschap. En toch is het niet onzinnig om te denken dat daar, in die leegte, in die aseptische opschorting van de tijd, sommigen zich soms de vraag stellen: welk landschap, welk uitzicht, welke uithoek van de wereld zou ik willen zien voordat ik de wereld verlaat? Misschien vergis ik me. Misschien trek je eerder je boodschappenlijst na. Misschien lees je Proust. Of Marie-Claire. Misschien zeggen we bij onszelf, kijkend naar de verlegen, geruststellende, bange of opgeluchte gezichten tegenover ons, dat naar hen kijken al een hele reis is.

> Lees verder

Michel Leiris, “Kijk! Daar, de engel…” (fragment)

‘En kri, mijne heren! (‘En kri!’ herhaalt het gezelschap in koor). En kra! (Het koor herhaalt: ‘En kra!’)’

De man door wie deze woorden zangerig werden uitgesproken, was een hindoe die werkte als voorman bij de grote blanke rumstoker van de streek. Een en ander speelde zich af in Le Gros-Morne, waar ik met een vriend uit Martinique de dodenwake voor zijn oude min bijwoonde.

‘En kri! En kra!’ – de traditionele openingsformule van het verhaal dat de hindoe op het punt stond ten beste te geven, ter verstrooiing van het gezelschap dat op de binnenplaats van het huis bijeen was gekomen voor de wake: het verhaal van het dunne meisje, dun ‘als de e-snaar op een mandoline’, zei de hindoe, een kenner (naar het scheen) van de orale creoolse
literatuur.

> Lees verder

Simon Johannin, ‘De zomer van het aas’ (fragment)

(…)

Niet lang na Pedra belandde er een ander bij ons, bij hem stond er een enorme FUCK LES POLICES dwars op zijn rug getatoeëerd. Hij heette Cali.
‘Die Cali is blond als een Zuidzeevaarder’, zei mijn moeder toen ze hem zag, en het was waar, hij zag er goed uit. Ontzettend mooi zelfs met zijn rotte tanden. De dochter van een van de boerderijen van boven had hem opgepikt langs de kant van de weg niet ver van de Leclerc-supermarkt toen ze eens naar de stad was gegaan om benzine, tabak en bier te gaan halen.

> Lees verder

Roland Barthes, ‘Jonge onderzoekers’

[…] Nog voordat hij aan de slag gaat, ondervindt de student de gevolgen van een reeks scheidslijnen. In zijn hoedanigheid van jongere behoort hij tot een klasse die wordt gedefinieerd door haar improductiviteit; hij is geen bezitter en geen producent, hij staat buiten het ruilproces, en zelfs, om zo te zeggen, buiten de uitbuiting; maatschappelijk gesproken is hij uitgesloten van elke benoeming. In zijn hoedanigheid van intellectueel is hij onderworpen aan de hiërarchie van de verschillende soorten arbeid; hij wordt geacht deel te nemen aan een vorm van speculatieve luxe, waarvan hij nochtans niet kan genieten omdat hij er geen zeggenschap over heeft, dat wil zeggen dat hij er niet naar eigen inzicht over kan communiceren.

> Lees verder

Charles-Ferdinand Ramuz, ‘De grote angst in de bergen’ (fragment)

[…] Er was géén brief. Er was tenminste geen andere dan de zijne, zijn eigen brief. Een brief die hij aan Victorine had geschreven en daar verschillende dagen op voorhand was komen leggen, goed zichtbaar onder in de schuilplaats, rechtop tegen een steen.

Zijn brief was er nog steeds. Ze waren gekomen; ze hadden zijn brief niet meegenomen. Wat ze hadden gebracht, was brood, zout, kaas, wat pekelvlees; dat alles verpakt in twee zakken, maar geen kaartje of stuk papier, geen los vel, geen dubbelgevouwen of zelfs maar enkel blad – wanneer op zulk ruitjespapier een hart zich legt en naar je wordt toegebracht.

> Lees verder

Georges Perec, ‘Een man die slaapt’ (fragment)

[…] Je kamer is het middelpunt van de wereld. Dit hol, dit rommelhok onder de vliering waar voor immer jouw geur hangt, dit eenzame bed waar je in schuift, dit rekje, dit linoleum, dit plafond waarvan je de scheuren, de schilfers, de vlekken en oneffenheden honderdduizend maal hebt geteld, dit wastafeltje dat zo klein is dat het op een poppenmeubel lijkt, dit teiltje, dit raam, dit behang waarvan je elke bloem, elke stengel, elk vlechtwerk kent en waarvan jij als enige kunt bevestigen dat ze ondanks de haast feilloze perfectie der druktechnieken nooit helemaal op elkaar lijken, deze kranten die je hebt gelezen en herlezen, die je nog eens zult lezen en herlezen, deze gebarsten spiegel die nooit iets anders heeft weerspiegeld dan jouw gezicht, verbrokkeld in drie delen van ongelijke grootte die elkaar gedeeltelijk overlappen, iets waaraan je zo gewend bent geraakt dat je het haast kunt negeren, je vergeet de vage omtrek van een oog in je voorhoofd, van een gespleten neus, van een permanent verwrongen mond, je neemt alleen nog notitie van een y-vormige striem, het haast vergeten, haast vervaagde litteken van een oude wond, sabelhouw of zweepslag, die weggezette boeken, die ventilatorkachel, die met donkerrood pegamoid beklede koffergrammofoon: zo begint en eindigt jouw koninkrijk, dat in concentrische cirkels wordt omgeven door goedaardige of kwaadaardige, altijd aanwezige geluiden, het enige wat je met de wereld verbindt: het druppelen van de kraan van het fonteintje op de overloop, de geluiden van je buurman, zijn keel die hij schraapt, de laden die hij open‑ en dichtschuift, zijn hoestbuien, het fluiten van zijn ketel, de geluiden van de rue Saint-Honoré, het onafgebroken geruis van de stad.

> Lees verder