Annie Ernaux, ‘De jaren’ (fragment)

[…] Op zomeravonden aan het begin van de jaren zeventig, wanneer het geurde naar droge aarde en tijm en alle tafelgenoten hadden plaatsgenomen rond een grote, voor minder dan duizend franc bij een uitdrager gekochte boerentafel met daarop vleesbrochettes en ratatouille – de vegetariërs mochten niet worden vergeten –, mensen die elkaar voordien niet kenden, Parijzenaars die het huis ernaast aan het opknappen waren, rugzaktoeristen op doorreis, liefhebbers van langeafstandswandelen en zijdeschilderen, stellen met of zonder kinderen, mannen met ruige baarden, verwilderde tienermeisjes, rijpe vrouwen in Indische gewaden, ontstonden er – na een aarzelend begin hoewel er van meet af aan werd getutoyeerd – gesprekken over kleurstoffen en hormonen in voedingsmiddelen, seksuologie en lichamelijke expressie, antigymnastiek, toegepaste kinesiologie en rogeriaanse therapie, yoga, Frédérick Leboyers zachte geboorte, homeopathie en soja, arbeiderszelfbestuur en de bezetting van de Lip-horlogefabriek, het milieu-activisme van René Dumont.

> Lees verder

Georges Simenon, ‘Manesteek’, fragment

Hij was in zijn schik geweest bij de aanblik van het Central, een geel bouwwerk, niet pal aan de kade gelegen, maar vijftig meter achter de kokospalmen, midden in een wirwar van vreemdsoortige planten.

De voornaamste ruimte, café en restaurant tegelijk, had lichte muren in pasteltinten die aan de Provence deden denken, en een bar van gevernist mahoniehout, met hoge barkrukken en koperwerk, die een indruk van comfort gaven.

Daar gebruikten de alleenstaande mannen van Libreville hun maaltijd. Elk van hen had zijn eigen tafel, zijn eigen servetring.

De kamers op de bovenverdieping waren nooit bezet. Lege, kale kamers, ook in pasteltinten, bedden met muskietennetten erboven, en hier en daar een oude lampetkan, een gebarsten waskom, een lege hutkoffer.

> Lees verder

Roland Barthes, ‘Wat is sport?’

Wat is dat toch, de behoefte van die mensen om aan te vallen? Waarom worden mensen onrustig van dit schouwspel? Waarom leven ze zo intens mee? Waarom die nutteloze strijd? Wat is sport?

 

De corrida is nauwelijks een sport, en toch is het misschien het model en de limiet van alle sporten; de ceremonie is sierlijk, de gevechtsregels zijn streng, de tegenstander is sterk, de mens is kundig en moedig – onze moderne sport is helemaal aanwezig in dit schouwspel uit een ver verleden, een erfenis van oude religieuze offerrituelen. Maar dit theater is een neptheater – hier wordt echt gestorven.

> Lees verder

Caroline Lamarche, ‘Wachtroutes, wachtplaatsen’ (fragment)

[…] Het ziekenhuis is normaal gesproken een doorreis. Zelden een landschap. En toch is het niet onzinnig om te denken dat daar, in die leegte, in die aseptische opschorting van de tijd, sommigen zich soms de vraag stellen: welk landschap, welk uitzicht, welke uithoek van de wereld zou ik willen zien voordat ik de wereld verlaat? Misschien vergis ik me. Misschien trek je eerder je boodschappenlijst na. Misschien lees je Proust. Of Marie-Claire. Misschien zeggen we bij onszelf, kijkend naar de verlegen, geruststellende, bange of opgeluchte gezichten tegenover ons, dat naar hen kijken al een hele reis is. Misschien voelen we, als we worden geconfronteerd met zo’n ‘weerzinwekkende foto van meren en bergen’, waarover een Belgische auteur het heeft op een pagina over zijn opgenomen vader, dat er in onze ziel een driftige graffitispuiter huist.

> Lees verder

Michel Leiris, “Kijk! Daar, de engel…” (fragment)

‘En kri, mijne heren! (‘En kri!’ herhaalt het gezelschap in koor). En kra! (Het koor herhaalt: ‘En kra!’)’

De man door wie deze woorden zangerig werden uitgesproken, was een hindoe die werkte als voorman bij de grote blanke rumstoker van de streek. Een en ander speelde zich af in Le Gros-Morne, waar ik met een vriend uit Martinique de dodenwake voor zijn oude min bijwoonde.

‘En kri! En kra!’ – de traditionele openingsformule van het verhaal dat de hindoe op het punt stond ten beste te geven, ter verstrooiing van het gezelschap dat op de binnenplaats van het huis bijeen was gekomen voor de wake: het verhaal van het dunne meisje, dun ‘als de e-snaar op een mandoline’, zei de hindoe, een kenner (naar het scheen) van de orale creoolse
literatuur.

> Lees verder

Simon Johannin, ‘De zomer van het aas’ (fragment)

(…)

Niet lang na Pedra belandde er een ander bij ons, bij hem stond er een enorme FUCK LES POLICES dwars op zijn rug getatoeëerd. Hij heette Cali.
‘Die Cali is blond als een Zuidzeevaarder’, zei mijn moeder toen ze hem zag, en het was waar, hij zag er goed uit. Ontzettend mooi zelfs met zijn rotte tanden. De dochter van een van de boerderijen van boven had hem opgepikt langs de kant van de weg niet ver van de Leclerc-supermarkt toen ze eens naar de stad was gegaan om benzine, tabak en bier te gaan halen.
Omdat hij haar uitlegde dat de politie hem zocht voor het een of ander had ze hem meegenomen zodat hij gerust was en hij ook zijn gezondheid een beetje kon oplappen, die was er door de drugs niet best aan toe.

> Lees verder