Een lichaam dat muziek geworden is

Ingrid Caven in Fassbinders "Mutter Küsters' Fahrt zum Himmel" (1975)

Wanneer de bladeren van de bomen vallen en de wind om het huis giert, weten we dat het seizoen van de literaire prijzenregen weer is aangebroken. We hadden al de Nobelprijs voor Gao Xingjian, de Anton Wachterprijs voor Marek van der Jagt en de AKO Literatuurprijs voor Arnon Grunberg, en afgelopen maandag zijn daar twee grote Franse prijzen bij gekomen, de Prix Goncourt voor Jean-Jacques Schuhl en de Prix Renaudot voor Ahmadou Kourouma. Geen land waar zoveel literaire prijzen te vergeven zijn als Frankrijk. Eerder werd al de Grand Prix du Roman de l’Académie Française toegekend aan Pascal Quignard, volgende week volgen nog de Prix Femina en de Prix Médicis, en het spektakel wordt op 14 november besloten met de Prix Interallié.

Van al die prijzen is de Goncourt nog altijd de meest prestigieuze. Van het geldbedrag zelf kan de laureaat net een hamburger kopen, maar het buikbandje ‘Prix Goncourt’ staat garant voor astronomisch hoge verkoopcijfers, dus niet alleen de eer telt: ook de financiële belangen zijn enorm. Van het winnende boek van vorig jaar, de magistrale roman Je m’en vais van Jean Echenoz, werden ondanks de ‘moeilijke’ reputatie van de auteur inmiddels bijna 400.000 exemplaren verkocht. Het scheelde overigens weinig of de buit was Echenoz ontgaan, want als de jury niet had besloten de bekendmaking te vervroegen om de Prix Femina voor te zijn, had hij zich waarschijnlijk met die laatste tevreden moeten stellen. Want twee prijzen toekennen aan dezelfde persoon, dat doen ze in Frankrijk niet.

De Goncourt en de Femina hebben hun ruzie inmiddels bijgelegd en gezamenlijk besloten voortaan om de beurt als eerste hun winnaar bekend te zullen maken, en zo is de Goncourt, die nog niet zo heel lang geleden in december werd uitgereikt, inmiddels dus opgeschoven naar eind oktober. Nog even en hij wordt over de zomer heen getild…

De winnaar van dit jaar heet dus Jean-Jacques Schuhl. Zijn uitverkiezing is verrassend, want vooraf ging het gerucht dat de prijs dit jaar terecht zou komen bij de razend populaire Belgische schrijfster Amélie Nothomb, die met Métaphysique des tubes haar jaarlijkse briljante niemendalletje heeft afgescheiden, waarin ze ditmaal haar eigen belevenissen als peuter-god in Japan beschrijft. De Goncourtjury heeft dus niet voor de weg van de minste weerstand willen kiezen, maar Schuhl had een concurrent van formaat: de Ivoriaanse nestor Ahmadou Kourouma, wiens roman Les Soleils des indépendances in 1976 een mijlpaal in de Franstalige Afrikaanse literatuur betekende, en die nu met Allah n’est pas obligé een indrukwekkende wrang-komische roman over de lotgevallen van een kind-soldaat in Liberia heeft geschreven. Kourouma kreeg de troostprijs, de toch ook zeer respectabele Prix Renaudot. Mirjam de Veth vertaalt zijn boek voor Meulenhoff; ze zal er een hele kluif aan hebben.

Goncourt-winnaar Jean-Jacques Schuhl is veel minder bekend dan Kourouma. Zijn naam ontbreekt in alle naslagwerken, en de titels van zijn vorige twee romans zullen bij weinig mensen een belletje doen rinkelen. Dat laatste is trouwens niet zo heel vreemd, want sinds 1976 had hij niets meer gepubliceerd. Maar in augustus verscheen plotseling, na vijfentwintig jaar stilte, de nu dus bekroonde roman Ingrid Caven, een hommage van de auteur aan zijn levensgezellin, de gelijknamige zangeres en actrice (‘de Callas van het Europese cabaret’, volgens de Newyorkse Village Voice). Ik zeg met opzet gelijknamig, want het romanpersonage Ingrid Caven kan onmogelijk dezelfde persoon zijn als de echte Ingrid Caven, benadrukt Schuhl, of liever gezegd zijn fictieve alter ego Charles, die in het boek besluit te proberen ‘de magie van dat muziek geworden lichaam’ in woorden te vangen.

De aanleiding voor zijn besluit is een briefje dat hij onder ogen heeft gekregen, waarop in achttien punten het leven van Ingrid is samengevat – inclusief de toekomst: ze breekt met ‘Jean-Jacques Schul’, raakt aan de drugs, leert haar grote liefde kennen en sterft uiteindelijk met een glimlach op haar gezicht. De auteur van het briefje, waarvan een fragment zelfs fotografisch wordt afgebeeld in een voetnoot, is niet zomaar iemand. Voor wie het niet wist: Ingrid Caven was de echtgenote van de Duitse cineast Rainer Werner Fassbinder (ze speelde ook in een aantal van zijn films), en het briefje in kwestie was na zijn dood in 1982 naast zijn bed aangetroffen; waarschijnlijk betrof het een schets voor een nieuw scenario waarin Ingrid centraal moest staan.

Charles vat het lijstje op als een verzoek, een smeekbede om de episodes van het leven van Ingrid en de tijd en wereld waarin ze heeft geleefd niet verloren te laten gaan. Hij duikt in de materie, ondervraagt Ingrid, maakt notities, maar beseft ook dat het beoogde portret een vampiriserende werking heeft: het model wordt erdoor leeggezogen en tot een levenloos object gemaakt. En naast het besmeurde, gekreukte lijstje van Fassbinder zou een verzorgde, gedetailleerde biografie ronduit bedrog lijken. Zelfspot à la Jean-Jacques Schuhl: ‘Ik zie het boek al voor me, keurig netjes ingetypt op een Mac met een 14-inchscherm, gedrukt door de firma Firmin-Didot op Cameron-persen, uitgegeven door Gallimard, op ordelijke stapeltjes gelegd in de boekhandels, versierd met een mooi buikbandje van rood glanspapier en bovendien te raadplegen op een internetsite in onstoffelijke, steriele priegellettertjes.’ Het enige wat ontbreekt is de Prix Goncourt…

Bij een eerdere Goncourtwinnaar, Marcel Proust, besluit de hoofdpersoon Marcel uiteindelijk het boek te gaan schrijven dat de lezer net heeft gelezen: À la recherche du temps perdu. Ook bij Jean-Jacques Schuhl wordt de suggestie gewekt dat Charles de auteur van het boek Ingrid Caven is, maar dat geestelijk vaderschap wordt nergens expliciet gemaakt, en dat is essentieel: Schuhl weigert de kloof tussen fictie en werkelijkheid te overbruggen, hij doet zijn uiterste best om de tekst en de hoofdpersoon Ingrid Caven te behoeden voor de fixerende werking van het woord. Alleen een levende tekst kan een levende persoon recht doen, en om te kunnen leven moet een tekst een ‘open kunstwerk’ zijn, zoals Umberto Eco het noemt, dat wil zeggen het tegendeel van wat met een misleidende term een ‘open boek’ heet: een zaak of persoon zonder geheimen.

Aan openheid (althans van de eerste soort) geen gebrek in Ingrid Caven. Wie lezen hoofdzakelijk als een consumerende bezigheid ziet, is bij Schuhl inderdaad aan het verkeerde adres. Een verhaallijn heeft zijn roman niet of nauwelijks, de scènes en episodes uit het leven van Ingrid Caven zijn als in een experimentele film losjes achter elkaar gemonteerd zonder enig chronologisch verband, en het enige rustpunt dat af en toe terugkeert is een optreden van Ingrid, met een bewonderende Charles ergens in de zaal. Vaak drijft de tekst na het begin van een nieuwe scène via associaties langzaam weg, om pas na een tiental bladzijden de draad weer op te pakken. En dat alles dient maar één doel: verhinderen dat het beeld van Ingrid Caven zich al te helder op onze netvliezen aftekent.

In het boek wordt een paar keer beschreven hoe Charles Ingrid in tegenlicht ziet – Gegenlicht, staat er in het Duits in de tekst: ‘Ze stond tegen het licht, Gegenlicht, haar schaduw viel naar opzij, op de grond en de muur links, veel groter dan zijzelf, lichtelijk vervormd en met een net iets andere beweging, ontzagwekkend alsof hij zijn eigen leven had en alsof gedurende luttele seconden die vluchtige, golvende schaduw háár vooruitwierp, maar heel snel, ongemerkt, pfft, niets, loste de vorm zich op, de schaduw verdween…’

Zo is ook deze roman: een kortstondige, ongrijpbare schaduw die heel even de rolverdeling van werkelijkheid en fictie lijkt om te draaien. En gedurende die luttele seconden komt er iets tot leven. Iemand. Ingrid Caven.

  • Jean-Jacques Schuhl, Ingrid Caven. Gallimard, 2000.

[de Volkskrant, 3 november 2000, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email