Pierre Bourdieu, ‘De goddeloze demontage van de fictie’

Wat de bewustwording van de logica van het spel betreft, en van de illusio die er het fundament van is, heb ik lang gedacht dat die in zekere zin per definitie uitgesloten was, omdat met een dergelijke luciditeit literaire of artistieke projecten zouden neerkomen op een vorm van cynische mystificatie of bewuste misleiding. Tot ik ertoe kwam een tekst van Mallarmé echt tot me te laten doordringen, waarin goed wordt uitgedrukt – zij het op tamelijk obscure wijze – dat de literatuur in objectieve zin een in het collectieve geloof gegronde fictie is, maar ook dat we het recht hebben om aan het literaire plezier vast te houden, tégen alle vormen van objectivering in.

Wij weten, gevangen in een absolute formule, dat, voorzeker, slechts is wat is. Terstond echter afzien, onder een voorwendsel, van de misleiding, zou onze inconsequentie beklemtonen, het plezier dat wij najagen loochenend: want dit hiernamaals is daarvan het werktuig, en de motor zou ik zeggen ware het niet dat het mij tegenstaat om, publiekelijk, de goddeloze demontage van de fictie en derhalve van het literaire mechanisme te verrichten, teneinde de hoofdmoot te etaleren of niets. Maar ik bewonder hoe men, door een mystificatie, op enige verhevenheid zonder toegang en bliksemend! het bij ons bewuste gemis projecteert van wat daar boven tot uitbarsting komt.

Waar het om gaat –

Om het spel.[1. Stéphane Mallarmé, ‘La musique et les lettres’, Œuvres complètes, H. Mondor & G. Jean-Aubry, red., Gallimard, Pléiade, 1970, p.647]

Schoonheid zou dus slechts een fictie, een verdichtsel zijn, en ertoe veroordeeld zichzelf ook als zodanig te aanvaarden, in tegenspraak met het platonische geloof in het schone als eeuwige essentie, de puur fetisjistische overtuiging van de scheppend kunstenaar die zich overgeeft aan de projectie in een illusoire transcendentie van wat aan dit ondermaanse literaire leven, en misschien wel aan het leven tout court, mankeert. In het geval van de poëzie die tot zelfbewustzijn is geraakt beperkt deze fictie zich niet tot het reproduceren van de natuur en de kringloop der seizoenen, zoals in de (Wagneriaanse) muziek, waarin de alternerende adem van het heldere en het duistere het mysterie van de oorspronkelijke tragedie van de dood en wederopstanding van de natuur nabootst. De poëzie breekt met de muzikale mimesis, die nog sterk met de mythe of rite verwant is, en verlaat wat tot de natuurlijke orde behoort om zich zelfbewust te voegen in de specifiek menselijke orde van de conventie, de orde van het ‘willekeurige teken’, zoals de Saussure later zal zeggen, van de ‘menselijke kunstgreep’, zoals Mallarmé zegt.

Het afstand nemen van de muzikale magie is een beslissend moment in wat een soort ultieme poging is, die Mallarmé na veelvuldig uitstel onderneemt, en waarin hij ‘op late leeftijd’ maar met cartesiaanse onverschrokkenheid tracht ‘tot in diepte en hoogte rekenschap af te leggen van de crisis – ideëel maar ook sociaal, als steeds’, die hem ‘bezwaart’. De dichter schroomt niet om zijn geloof in het bestaan van de letteren aan een radicale twijfel te onderwerpen: ‘Bestaat er zoiets als de letteren?’ Wat blijft er over na ‘dit soort onderzoek [dat], in vredestijd, misschien als zijnde gevaarlijk wordt omzeild’, na deze radicale ‘ontlasting’ van alle literaire geloofsvoorstellingen? ‘Eerbied voor de zesentwintig letters’, een erfenis van de niet aflatende ‘dobbelsteen’ van een individuele geschiedenis, en een ‘métier’, een gevoel voor het letterspel, niet te verwarren met het gevoel voor het literaire spel (‘Zomin voelt het personage zich danig aangetrokken tot de ingestelde eerbewijzen eigen aan de letteren’). En wat de dichter zelf betreft is het vruchteloos zich af te vragen of hij beweegt dan wel bewogen wordt (‘handeling, spiegeling’) en of het gedicht als ‘bovennatuurlijke voltooiing’, poëtische telos, buitennatuurlijk of tegennatuurlijk (en daarin aan de muziek tegengesteld) eindresultaat, het product is van ‘zijn eigen initiatief of [van] de virtuele kracht van goddelijke lettertekens’, ‘middel, ten overvloede!, grondslag’.

Als een ware negatieve theologie verwoest de reflexieve kritiek waarmee de dichter zichzelf een doctrine en een werkterrein toekent de heiligheid van het poëtische en de zelfmystificerende mythe van de schepping van een transcendentaal, ‘ontsnappend’ object, zoals de natuur. Maar het tenietgedane hiernamaals blijft ‘het werktuig, en de motor’ van het ‘plezier dat wij najagen‘, door een soort zelfverkozen fetisjisme (als deze woordspelling is toegestaan). Uit naam van het literaire plezier, een ‘ideëel verheugen’ en het sublieme product van sublimering, zijn we gerechtigd vast te houden aan het letterspel, en zelfs, zoals we zullen zien, aan het literaire spel: ‘Uit verveling tegenover de dingen indien die een hechte, overheersende plaats zouden innemen, hebben wij het recht [het gedicht] aan onszelf te onttrekken, opdat een hogere aantrekking als van een vacuüm [dat van het hiernamaals dat zich blijvend doet voelen als gemis, als ‘niets’] de dingen hartstochtelijk losmaakt, tot wij ervan vervuld raken en ze tevens toerusten met schittering, door de vacante ruimte heen, in eenzame feesten naar believen.’ En Mallarmé becommentarieert zelf, in een toegevoegde noot: ‘Pyrotechnisch zo goed als metafysisch, dit standpunt; maar door vuurwerk [feu d’artifice], naar het voorbeeld en op het niveau van het denken, bloeit het ideële verheugen.’

Als lezer van Max Muller weet Mallarmé dat goden hun ontstaan vaak danken aan vergeten taalfouten. Hij is niet van zins om onder de dekmantel van de menselijke taal, voorgesteld als het beginsel van een nieuwe transcendentie, de dichter als afgezant van God, voorzien van een profetisch meesterschap, in ere te herstellen. Hoewel hij als postulaat (een woord dat hij zelf gebruikt) van de nieuwe poëtische doctrine poneert dat ‘één worp met de dobbelsteen nimmer het toeval tenietdoet’ en dat hij, ‘afziend van de waardigheid van een erkende betrekking’, weigert het’altaar’ van de poëziecultus ‘op te sieren’ en de metafysische dromen van de grote esthetische traditie in stand te houden, kan hij onmogelijk zijn hang verloochenen naar de pyrronistische spelen van een talige pyrotechniek – en dat met als enig doel om, uitsluitend voor zijn plezier, de illuminaties van verbaal vuurwerk te creëren die dankzij hun schittering de leegte van de hemel waarin ze uiteenspatten aan het oog weten te onttrekken. En hij kan zich alleen losmaken van de ‘subtiele bevangenheid, als van een onverklaarbaar soort achterdocht’, die hem vraagtekens deed zetten bij het bestaan van de literatuur en de schrijver en bij de eigenlijke zin van zijn ‘roeping’, door tegen deze ‘ongemene ingebrekestelling’ de onmiddelijke evidentie in te brengen van het esthetische equivalent van een cogito: ja, literatuur bestaat, aangezien ik ervan geniet. Maar kunnen we in alle opzichten genoegen nemen met dit bewijs uit plezier, uit genot (aisthèsis), zelfs als we aannemen dat de poëzie zichzelf zin geeft door de wereld zin te geven, hoe imaginair die zin verder ook is? En lijkt het door de voluntaristische fictie van ‘eenzame feesten’ opgewekte plezier niet gedoemd om over te komen als iets fictiefs, nu duidelijk wordt hoezeer dat plezier samenhangt met de wil om zichzelf door het spel van woorden te laten meeslepen, om zichzelf ‘uit te betalen met de valse munt van zijn dromen’?

Het aanhalen van de beroemde uitspraak van Marcel Mauss is niet zo misplaatst als het lijkt. Het ontgaat Mallarmé namelijk niet, anders dan zijn commentatoren, dat de crisis ook ‘sociaal’ is, zoals hij in het begin zegt. Hij beseft dat het solitaire en vagelijk narcistische plezier waaraan hij met alle macht wil vasthouden gedoemd is om een illusie te lijken zolang het niet wortelt in de illusio, in het collectieve geloof in het spel en de waarde van zijn inzetten, dat de voorwaarde en het product is van het ‘literaire mechanisme’. Om dat plezier dat wij hebben omdat we het najagen en om de platonische illusie die ervan het ‘werktuig’ is te behouden, concludeert hij daarom dat hem geen andere keuze rest dan het besluit om – op grond van een andere zelfverkozen fictie – de mystificatie zonder auteur te ‘bewonderen’ die de fragiele fetisj uit de greep van de kritische luciditeit houdt. Hij weigert om ‘in het openbaar de goddeloze demontage van de fictie en derhalve van het literaire mechanisme te verrichten, teneinde de hoofdmoot te etaleren of niets’, en kiest ervoor dit principiële niets slechts te verwoorden op de wijze van de ontkenning, dat wil zeggen zodanig geformuleerd dat hij het niet prijsgeeft, aangezien de kans dat hij werkelijk wordt gehoord vrijwel nihil is.

Kunst, literatuur, wetenschap, recht of filosofie vormen maatschappelijke spelen die met prestige en mysterie zijn omringd, en die algemeen worden geacht ruimte te bieden aan de meest sacrale en universele waarden. Maar de oplossing die Mallarmé aandraagt voor de vraag of de constitutieve mechanismen van deze maatschappelijke spelen ter discussie – wat in dit geval betekent: aan de kaak – moeten worden gesteld, is minder bevredigend dan de manier waarop hij die vraag onder woorden brengt. Ervoor kiezen het ‘literaire mechanisme’ geheim te houden, of alleen te onthullen in een door en door verhulde vorm, betekent de voorbarige mening toegedaan zijn dat uitsluitend een paar grote ingewijden de heroïsche luciditeit en zelfbewuste onbekrompenheid kunnen opbrengen die vereist zijn om de waarheid van de ‘vormen van legitiem bedrog’ (Austin) onder ogen te zien en om, na het opgeven van de illusoire verwachting van een transcendente waarborg, het geloof levend te houden in de waarden en deugden waaraan de grote humanistische mystificaties tenminste nog de hommage van hun hypocrisie bewijzen.

[uit: Pierre Bourdieu, De regels van de kunst. Wording en structuur van het literaire veld (Fr.: Les Règles de l’art. Genèse et structure du champ littéraire, 1992), vertaling Rokus Hofstede, Van Gennep, 1994, p.330-334]

Print Friendly, PDF & Email