De man in de schaduw

Een vijftigjarige schrijver herinnert zich hoe hij dertig jaar eerder in Parijs een meisje en haar vriend heeft leren kennen: zij vragen hem op straat waar het dichtstbijzijnde postkantoor is, hij loopt met hen mee, maar het is al niet meer nodig, ze zien een tabakswinkeltje en kopen daar hun postzegels. Hij vergezelt hen naar hun hotel, ’s avonds eten ze samen wat in een café, en dat is het begin – ja, waarvan eigenlijk? Een vriendschap? Het woord valt niet, net zomin als dat andere: liefde.

Toch is Uit verre vergetelheid, het voorlaatste boek van de Franse schrijver Patrick Modiano, onmiskenbaar een liefdesroman. Al wordt dat niet met zoveel woorden gezegd, de naamloze hoofdpersoon is duidelijk meteen zeer gecharmeerd van de jongedame (Jacqueline heet ze) en dat is ongetwijfeld ook de reden waarom hij het gezelschap van de twee zo op prijs stelt. Ze blijven elkaar ontmoeten in de cafés van het Quartier Latin, en als Jacqueline’s vriend Gérard Van Bever een weekend alleen weg moet, brengt de hoofdpersoon de nacht met haar door. Een tijdje later knijpen ze er met z’n tweeën met wat gestolen geld tussenuit naar Londen, waar ze hetzelfde onbestemde leventje blijven leiden, maar geleidelijk aan van elkaar vervreemden: hij begint aan zijn eerste roman en trekt zich steeds vaker terug om te schrijven, zij stort zich in het Londense nachtleven. Uiteindelijk laat ze hem in de steek. De hele episode heeft niet langer dan een maand of vier geduurd.

Uit verre vergetelheid is weer zo’n vederlicht verhaal van het soort waarop Modiano patent lijkt te hebben. Veel van zijn hoofdpersonen zijn al dan niet naamloze schrijvers, bijna al zijn romans gaan over herinneringen en herinneringen van herinneringen, over vage, ongrijpbare personages die opduiken en weer verdwijnen, nog eens opduiken, opnieuw verdwijnen. Dat is ook wat er in dit boek gebeurt. Nadat hij heeft verteld hoe Jacqueline hem dertig jaar eerder heeft verlaten, beschrijft de verteller hoe hij haar ‘gisteren, zaterdag 1 oktober negentienhonderd vierennegentig’ heeft teruggezien in de metro en haar is gevolgd, en hoe hij op het moment van schrijven hoopt haar weer te ontmoeten, net als vijftien jaar geleden – waarna het verslag volgt van die tweede ontmoeting, die tot op dat moment niet ter sprake was gekomen.

Het zwaartepunt van het boek zit dus in de staart: pas op ongeveer vijfzesde wordt een brug geslagen tussen verleden en heden en wordt het zeer subtiele zingevingsmechanisme in gang gezet. Waarom vertelt de ik-persoon dit verhaal? Omdat Jacqueline er was op de beslissende momenten van zijn leven: toen hij afscheid nam van zijn jeugd en zijn eerste roman ging schrijven, en vijftien jaar later opnieuw toen hij voor een keerpunt stond. Waarom vertelt hij het verhaal juist nu? Omdat hij ook nu weer het idee heeft dat er een periode van zijn leven ten einde is – en prompt ziet hij Jacqueline in de metro. Of ziet hij haar eerst en heeft hij daardoor het gevoel dat de cirkel weer rond is? Of heeft hij zich alleen maar verbeeld dat zij het was?

Aan Uit verre vergetelheid ging een lange reeks romans en andere teksten vooraf die allemaal ook die titel hadden kunnen dragen. Allemaal gaan ze over het verleden, niet het verleden dat verloren is gegaan en in zijn essentie moet worden teruggevonden, maar het verleden dat voortleeft in de vorm van min of meer lacunaire herinneringen, toevallig bewaarde notities, oude telefoonboeken, vergeelde kranten en kromgetrokken foto’s. Aan de hand van die brokstukken en flarden roepen Modiano’s vertellers een verleden op dat er misschien wel nooit geweest is, een verleden dat niet zozeer gereconstrueerd als wel geconstrueerd moet worden, en waarvan het werkelijke belang in het heden ligt.

Dat opbouwen van een verleden gebeurt letterlijk in geuren en kleuren, in kastanjebruine leren jasjes en naar hasj ruikende kamers, mannen die naar Synthol stinken en rode touwschoenen met veters. Modiano is een meester van de suggestie. Door heel precies en tegelijkertijd heel selectief te zijn in zijn beschrijvingen en zich te onthouden van een expliciet oordeel, plaatst hij de dingen in een zodanig licht dat ze zelf in al hun naaktheid gaan spreken, door hun onderlinge toonverschillen, maar al evenzeer door het contrast met wat noodgedwongen in de altijd aanwezige schaduw moet blijven. Niet toevallig zijn licht en donker ook een steeds terugkerend motief in zijn werk: het voorgestelde verleden als allegorie van het voorstellen zelf.

Met bedrieglijk eenvoudige taal weet Modiano door zijn clair-obscur realisme een enorme poëtische kracht aan zijn teksten te geven, zonder ook maar een moment tot goedkope lyriek te vervallen. Ook zijn personages zijn geen nauwkeurig uitgewerkte karakters, ze worden net als plaatsen en voorwerpen slechts gesuggereerd, hun handelwijze wordt niet gemotiveerd. Jacqueline, de ongrijpbare schim die tot driemaal toe opduikt in het leven van de verteller, snuift ether om haar rokershoest te onderdrukken en onderstreept daarmee haar eigen vluchtigheid, en ook de andere personages worden heel fijnzinnig neergezet door middel van een enkel uiterlijk detail.

Toch, hoewel ze nauwelijks enige psychologische diepgang bezitten, zijn het geen karikaturen. Ook de meest onsympathieke personages, zoals de louche Londense makelaar Peter Rachman, die de vele meisjes die hij onderhoudt, op gezette tijden van achteren ‘neemt’ met zijn kleren aan, stralen iets heel erg menselijks uit. Inderdaad lijkt Modiano voor al zijn personages een zekere sympathie te koesteren. Hij leeft letterlijk met hen mee, kijkt toe bij wat ze doen zonder zich boven hen te plaatsen, is een van hen.

Misschien is dat wel wat zijn werk tegelijk zo ongrijpbaar en zo aangrijpend maakt: zonder in het voetlicht te treden, slaagt hij er steeds opnieuw weer in ons duidelijk te maken dat hij het zelf is over wie het boek gaat, hij, de man die in de schaduw staat. Via de personages, de schimmen, de verledens die hij creëert gaat hij de strijd aan met zijn eigen spookbeelden, legt ze vast, bant ze uit. Patrick Modiano is met Georges Perec de grootste exorcist van de hedendaagse Franse literatuur.

  • Patrick Modiano, Uit verre vergetelheid, vertaald door Edu Borger. Meulenhoff, 1998.

[de Volkskrant, 13 maart 1998, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email