Troost en betekenis

reeks het leven, een gebruiksaanwijzing

‘Waar ik er niet helemaal bij hoor, daar voel ik me thuis’

Rokus Hofstede is een auteur, al schrijft hij nooit onder eigen naam. Nu hij de prestigieuze Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2021 krijgt, wordt de vertaler tot zijn grote verrassing uit de schaduw gehaald. ‘Benieuwd wat ik te zeggen heb.’

Guinevere Claeys

DSL, zaterdag 19 december 2020

 

Had iemand het me dan ingefluisterd? Het kon niet anders of het was me al ter ore gekomen dat hij dit jaar de laureaat zou worden van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs. Waarom wou ik hem anders interviewen? Hij, Rokus Hofstede, een vertaler, thuis in volstrekte onzichtbaarheid.

> Lees verder

Annie Ernaux, De jaren (booktrailer)

Trailer, teaser, appetizer, hoe noem je zoiets? Daar wil ik vanaf zijn – het is een filmpje. Waarom? Omdat de Singel Uitgeverijen geen boekpresentaties organiseren zolang corona rondwaart, omdat ‘makers’ desalniettemin wat steun in de rug kunnen krijgen van het Nederlands Letterenfonds om ‘de brug naar lezers te slaan’, en omdat een familievakantie ons toevallig begin september naar Normandië bracht, waar Annie Ernaux (auteur van De jaren, eerdaags te verschijnen bij De Arbeiderspers) geboren en getogen is. “Zie je wel, zelfs op vakantie gaat het weer om jouw werk.” Inderdaad, hoewel er zonder de goede ideeën en de koelbloedigheid van Ilse Joliet, Jan Hofstede en Victor Van Rossem niets van in huis was gekomen – ziet dat van hier.

> Lees verder

Annie Ernaux, ‘De jaren’ (fragment)

[…] Op zomeravonden aan het begin van de jaren zeventig, wanneer het geurde naar droge aarde en tijm en alle tafelgenoten hadden plaatsgenomen rond een grote, voor minder dan duizend franc bij een uitdrager gekochte boerentafel met daarop vleesbrochettes en ratatouille – de vegetariërs mochten niet worden vergeten –, mensen die elkaar voordien niet kenden, Parijzenaars die het huis ernaast aan het opknappen waren, rugzaktoeristen op doorreis, liefhebbers van langeafstandswandelen en zijdeschilderen, stellen met of zonder kinderen, mannen met ruige baarden, verwilderde tienermeisjes, rijpe vrouwen in Indische gewaden, ontstonden er – na een aarzelend begin hoewel er van meet af aan werd getutoyeerd – gesprekken over kleurstoffen en hormonen in voedingsmiddelen, seksuologie en lichamelijke expressie, antigymnastiek, toegepaste kinesiologie en rogeriaanse therapie, yoga, Frédérick Leboyers zachte geboorte, homeopathie en soja, arbeiderszelfbestuur en de bezetting van de Lip-horlogefabriek, het milieu-activisme van René Dumont.

> Lees verder

Georges Simenon, ‘Manesteek’, fragment

Hij was in zijn schik geweest bij de aanblik van het Central, een geel bouwwerk, niet pal aan de kade gelegen, maar vijftig meter achter de kokospalmen, midden in een wirwar van vreemdsoortige planten.

De voornaamste ruimte, café en restaurant tegelijk, had lichte muren in pasteltinten die aan de Provence deden denken, en een bar van gevernist mahoniehout, met hoge barkrukken en koperwerk, die een indruk van comfort gaven.

Daar gebruikten de alleenstaande mannen van Libreville hun maaltijd. Elk van hen had zijn eigen tafel, zijn eigen servetring.

De kamers op de bovenverdieping waren nooit bezet. Lege, kale kamers, ook in pasteltinten, bedden met muskietennetten erboven, en hier en daar een oude lampetkan, een gebarsten waskom, een lege hutkoffer.

> Lees verder

Georges Simenon, ‘Manesteek’, nawoord

In de zomer van 1932 maakte Georges Simenon een reis van drie maanden door Afrika, van Egypte langs de evenaar in westelijke richting. Hij bracht onder meer vijf dagen door in Matadi, aan de monding van de Congo, waar zijn jongere broer Christian havenmeester was.

Nog datzelfde najaar verscheen, in de stijl van grote reporters als Albert Londres en Joseph Kessel, een zesdelige reportage in het geïllustreerde tijdschrift Voilà, getiteld ‘L’heure du nègre’, met als ondertitel: L’Afrique vous parle: elle vous dit merde. Simenons biografen hebben gesuggereerd dat de bijtende toon van die artikelenreeks mogelijk was ingegeven door broedernijd; alsof Georges zijn jongere broer, de lieveling van moeder Henriette, op zijn nummer wilde zetten door weer te geven hoe treurig diens leven in werkelijkheid was.

> Lees verder

Roland Barthes, ‘Wat is sport?’

Wat is dat toch, de behoefte van die mensen om aan te vallen? Waarom worden mensen onrustig van dit schouwspel? Waarom leven ze zo intens mee? Waarom die nutteloze strijd? Wat is sport?

 

De corrida is nauwelijks een sport, en toch is het misschien het model en de limiet van alle sporten; de ceremonie is sierlijk, de gevechtsregels zijn streng, de tegenstander is sterk, de mens is kundig en moedig – onze moderne sport is helemaal aanwezig in dit schouwspel uit een ver verleden, een erfenis van oude religieuze offerrituelen. Maar dit theater is een neptheater – hier wordt echt gestorven.

> Lees verder