‘Een goed boek overleeft de vertaling’

Het blijft fascinerend om te zien hoe de grootste dooddoeners over vertalen circuleren onder mensen waarvan je zou denken dat ze beroepshalve goed geplaatst zijn om beter te weten.

Want wat is vertalen? Vertalen is schrijven.

Schrijven, die activiteit hebben vertalers gemeen met een andere categorie auteurs die de schrijfkunst beoefenen: schrijvers. Desalniettemin kom je veelvuldig, ook bij schrijvers, dat wil zeggen bij kenners van de literatuur, bij beroepslezers, de gemakzuchtigste gemeenplaatsen over het vertalen tegen – doorgaans weinig doeltreffende schaamlapjes voor wat niet anders dan structurele minachting kan heten.

> Lees verder

Joris-Karl Huysmans, Aan de vrouw (fragment)

(…) Hij had honger. Door de vermoeidheid en het lopen waren de scherpe kantjes als het ware van zijn zorgen afgesleten. Zijn humeur was al bijna vrolijk toen hij een kleine tapperij in het oog kreeg, waar achter het uitstalraam een op brandewijn gezette meloen stond op te zwellen.

Rijen flessen met loden capsules op hun kop en fonkelende sterren midden op hun buik vormden een halve cirkel rond twee lagen gekneusde bolle schimmelkaasjes, schotels koud rundvlees in vinaigrettesaus en opgestijfde knollenragouts, baksels met zwarte brandplakken, uitlubberend over hun gele modder.

> Lees verder

Michel Leiris, “Kijk! Daar, de engel…” (fragment)

‘En kri, mijne heren! (‘En kri!’ herhaalt het gezelschap in koor). En kra! (Het koor herhaalt: ‘En kra!’)’

De man door wie deze woorden zangerig werden uitgesproken, was een hindoe die werkte als voorman bij de grote blanke rumstoker van de streek. Een en ander speelde zich af in Le Gros-Morne, waar ik met een vriend uit Martinique de dodenwake voor zijn oude min bijwoonde.

‘En kri! En kra!’ – de traditionele openingsformule van het verhaal dat de hindoe op het punt stond ten beste te geven, ter verstrooiing van het gezelschap dat op de binnenplaats van het huis bijeen was gekomen voor de wake: het verhaal van het dunne meisje, dun ‘als de e-snaar op een mandoline’, zei de hindoe, een kenner (naar het scheen) van de orale creoolse
literatuur.

> Lees verder

Simon Johannin, ‘De zomer van het aas’ (fragment)

(…)

Niet lang na Pedra belandde er een ander bij ons, bij hem stond er een enorme FUCK LES POLICES dwars op zijn rug getatoeëerd. Hij heette Cali.
‘Die Cali is blond als een Zuidzeevaarder’, zei mijn moeder toen ze hem zag, en het was waar, hij zag er goed uit. Ontzettend mooi zelfs met zijn rotte tanden. De dochter van een van de boerderijen van boven had hem opgepikt langs de kant van de weg niet ver van de Leclerc-supermarkt toen ze eens naar de stad was gegaan om benzine, tabak en bier te gaan halen.

> Lees verder

‘Zij zwerven in de lucht en tuimelen en woelen’

Over de beelden van Chris Van der Burght

Samenleven is het reguleren van afstand en nabijheid, het instellen van grenzen. De Amerikaanse antropoloog Edward T. Hall hield in de jaren ’60 een nieuwe tak van wetenschap boven de doopvont die hij betitelde als proxemics. Hij deelde de afstand tussen personen op in vier zones: intieme ruimte, persoonlijke ruimte, sociale ruimte en openbare ruimte. In zijn boek The Hidden Dimension onderzoekt Hall hoe mensen in die diverse ruimtes contact maken, of juist contact vermijden, via een hele reeks codes – haptisch, visueel, thermisch, olfactorisch enzovoort – al naargelang de aard van de interactie of de relatie.

> Lees verder

Michel Leiris, “Kijk! Daar, de engel…”, nawoord

Het ‘seizoen in de woestijn’ dat schrijver, dichter en cultureel antropoloog Michel Leiris (1901-1990) tussen september 1939 en maart 1940 (oftewel tijdens de zogeheten ‘schemeroorlog’) als reserve-onderofficier van het Franse leger doorbracht in Revoil Béni-Ounif, vijfhonderd kilometer ten zuiden van de havenstad Oran, in Algerije, heeft niet veel sporen nagelaten in zijn Journal 1922-1989. Maar één pagina vulde Leiris gedurende die zes maanden met notities, en die notities gaan maar over één ding. Onder het kopje ‘Maart 1940’ schetst hij in een paar pennenstreken zijn ontmoeting met Khadija bent Maamar Chachour, geboren in Algiers, drieëntwintig jaar oud – dezelfde ontmoeting waaraan hij vijftien jaar later zestig dichtbedrukte pagina’s van zijn vierdelige autobiografische werk La Règle du jeu (1948-1976) zou wijden, om precies te zijn het laatste hoofdstuk van Fourbis, het in 1955 gepubliceerde tweede deel van die cyclus.

> Lees verder