Over de eerste zin uit ‘De grote angst in de bergen’ van Charles-Ferdinand Ramuz

‘Le Président parlait toujours. La séance du Conseil général, qui avait commencé à sept heures, durait encore à dix heures du soir.’

Het onnozelste eerste zinnetje kan de vertaler die zijn moed bijeen heeft geraapt meteen perplex doen staan.

De lezer van de openingspagina van Ramuz’ roman De grote angst in de bergen, oorspronkelijk gepubliceerd in 1926 als La Grande Peur dans la montagne, wordt geteleporteerd naar een klein bergdorp in het kanton Wallis, ergens eind 19e of begin 20e eeuw, midden in een zich voortslepende vergadering van de dorpsraad – het orgaan voor gemeentelijk zelfbestuur waarin alle volwassen mannelijke dorpsbewoners inspraak hebben, oftewel het hoogste lokale besluitvormingsorgaan, conform de lange basisdemocratische traditie die Zwitserland rijk is.

> Lees verder

C.-F. Ramuz, De grote angst in de bergen, nawoord van de vertaler

In onze contreien doet zijn naam naam eigenlijk alleen bij muziekliefhebbers een belletje rinkelen. Ramuz, was dat niet de librettist van Stravinsky? En inderdaad: in 1918 schreef Charles-Ferdinand Ramuz voor zijn beroemde vriend de tekst van het muzikale melodrama Histoire du soldat. ‘Entre Denges et Denezy / un soldat qui rentre au pays’, zo luiden daarvan de openingsregels. Ramuz situeerde zijn bewerking van een Russisch volkssprookje in een denkbeeldig kanton Vaud. ‘Op de straatweg van Sas naar Sluis / Een soldaat op weg naar zijn huis’, heet het in Martinus Nijhoffs veelgeprezen vertaling, Geschiedenis van de soldaat (1930), waarbij Nijhoff de handeling naar Zeeuws-Vlaanderen verplaatste.

> Lees verder

Charles-Ferdinand Ramuz, ‘De grote angst in de bergen’ (fragment)

[…] Er was géén brief. Er was tenminste geen andere dan de zijne, zijn eigen brief. Een brief die hij aan Victorine had geschreven en daar verschillende dagen op voorhand was komen leggen, goed zichtbaar onder in de schuilplaats, rechtop tegen een steen.

Zijn brief was er nog steeds. Ze waren gekomen; ze hadden zijn brief niet meegenomen. Wat ze hadden gebracht, was brood, zout, kaas, wat pekelvlees; dat alles verpakt in twee zakken, maar geen kaartje of stuk papier, geen los vel, geen dubbelgevouwen of zelfs maar enkel blad – wanneer op zulk ruitjespapier een hart zich legt en naar je wordt toegebracht.

> Lees verder

Georges Perec, ‘Een man die slaapt’ (fragment)

[…] Je kamer is het middelpunt van de wereld. Dit hol, dit rommelhok onder de vliering waar voor immer jouw geur hangt, dit eenzame bed waar je in schuift, dit rekje, dit linoleum, dit plafond waarvan je de scheuren, de schilfers, de vlekken en oneffenheden honderdduizend maal hebt geteld, dit wastafeltje dat zo klein is dat het op een poppenmeubel lijkt, dit teiltje, dit raam, dit behang waarvan je elke bloem, elke stengel, elk vlechtwerk kent en waarvan jij als enige kunt bevestigen dat ze ondanks de haast feilloze perfectie der druktechnieken nooit helemaal op elkaar lijken, deze kranten die je hebt gelezen en herlezen, die je nog eens zult lezen en herlezen, deze gebarsten spiegel die nooit iets anders heeft weerspiegeld dan jouw gezicht, verbrokkeld in drie delen van ongelijke grootte die elkaar gedeeltelijk overlappen, iets waaraan je zo gewend bent geraakt dat je het haast kunt negeren, je vergeet de vage omtrek van een oog in je voorhoofd, van een gespleten neus, van een permanent verwrongen mond, je neemt alleen nog notitie van een y-vormige striem, het haast vergeten, haast vervaagde litteken van een oude wond, sabelhouw of zweepslag, die weggezette boeken, die ventilatorkachel, die met donkerrood pegamoid beklede koffergrammofoon: zo begint en eindigt jouw koninkrijk, dat in concentrische cirkels wordt omgeven door goedaardige of kwaadaardige, altijd aanwezige geluiden, het enige wat je met de wereld verbindt: het druppelen van de kraan van het fonteintje op de overloop, de geluiden van je buurman, zijn keel die hij schraapt, de laden die hij open‑ en dichtschuift, zijn hoestbuien, het fluiten van zijn ketel, de geluiden van de rue Saint-Honoré, het onafgebroken geruis van de stad.

> Lees verder

Bruno Latour, ‘Waar kunnen we landen?’ (fragment)

[…] Om de sleetse metafoor van de Titanic van stal te halen: de leidende klassen begrijpen dat de schipbreuk onvermijdelijk is, ze maken zich meester van de reddingsboten, en ze vragen het orkest lang genoeg slaapliedjes te blijven spelen zodat ze er in het nachtelijk duister vandoor kunnen gaan voordat de andere klassen door de overmatige slagzij worden opgeschrikt.

Als we een veelzeggende illustratie willen, waar ditmaal niets metaforisch aan is: oliemaatschappij ExxonMobil besluit begin jaren negentig, in het volle besef van de situatie, na uitstekende wetenschappelijke artikelen te hebben gepubliceerd over de gevaren van klimaatverandering, zwaar te investeren in de verwoede winning van aardolie en tegelijk in een al even verwoede campagne die de stelling moet promoten dat er van dreigend gevaar geen sprake is.

> Lees verder

Marie-Hélène Lafon, ‘Nacht’

De nacht valt niet, hij klimt.

Zwanger van de donkere wind die over naamloze contreien heeft gezwalkt, loeit hij langdurig en drukt zijn vochtige snuit tegen de muren van huizen, waar weggedoken mensen zich warm houden in de gele lichtkring van lampen of aan de rand van de televisie.

De kleinen van de mensen vrezen hem, hun zachte, nieuwe lijven zijn beducht voor zijn reuzenbeet. De lichtjes van de hoogmoedige steden doorboren hem en zouden over hem willen triomferen, hem in het nauw willen drijven, hem opjagen tot in zijn vergeten schuilhoeken, maar hij weet van geen wijken, iets houdt vol en dringt aan, iets wat in het bloed van vee en mensen vloeit en huivert onder hun huid.

> Lees verder