Juréal (bijgenaamd: Signor)

Meester Juréal, beeldhouwer te Mechelen, actief in het begin van de 16de eeuw, tijdens de landvoogdij van Margaretha van Parma, de gulden tijd waarin Mechelen het ‘Firenze van het Noorden’ was, en een brandpunt van humanisme. Juréals werk behoort evenwel nog tot de middeleeuwen: zijn inspiratie was zuiver christelijk, hij werkte slechts in zandsteen en veronachtzaamde het marmer, het favoriete materiaal van de uit Italië en de Savoye overgekomen beeldhouwers, die dweepten met de klassieken. Juréal kon zich dan ook niet verheugen in de gunst van de landvoogdes, maar dankte zijn fortuin louter aan zijn werk voor kerkelijke opdrachtgevers. Vermaard om zijn heiligenbeelden en bas-reliëfs, was hij onder meer betrokken bij de bouw van de Sint-Romboutskerk.

Juréal, een naïeve maar edele inborst, was de kunst onvoorwaardelijk toegedaan. Hij had een gekwelde ziel (‘Het is mijn roeping om te lijden, ik zou eronder lijden wanneer ik niet meer leed’), en verwerkte zijn gekweldheid in zijn kunst. Zijn engelen en heiligen gaf hij de koppen van martelaars. ‘Hellevertoonder’ was een van de bijnamen waarmee hij toegesproken werd. Lag de oorsprong van zijn gekweldheid in zijn weinig flatteuze uiterlijk, zijn spichtige gestel, zijn ziekelijke constitutie, waardoor hij voor velen een mikpunt was van spot? Of lag het in zijn ongelukkige huwelijk met de schone, vele jaren jongere Marguerite Harstein? Algemeen bekend was dat hij aan zijn echtelijke plichten verzaakte. ‘Iedereen weet dat alleen de arm van de beeldhouwer mannelijk is, en dan nog, enkel als hij grafstenen houwt!’, wierp Marguerite hem voor de voeten. Het gerucht ging dat zij het ontbrekende geluk bij andere mannen ging zoeken. Er werd zelfs beweerd dat de beeldhouwer heimelijk hoopte beter te worden van de gunsten die zijn vrouw aan sommige jonge edellieden schonk. De wulpse Marguerite deed niets om die achterklap te ontzenuwen.

Toen Juréal twee vermeende minnaars van zijn vrouw, Adorno en Helgar, op hun daden aansprak, werd hij door hun trawanten in een rood laken gejonast, onder groot vermaak van het verzamelde plebs, dat bij elke worp scandeerde: “Hop Signor!… Hop Signor!…’ Ze smeten Juréal, de kunstenaar die steeds naar het hogere streefde, als een ledepop de lucht in, zo hoog als de toren van de domkerk zelf. Tot het laken hen uit de handen glipte en de beeldhouwer op de kasseien te pletter sloeg. Het was Marguerite die zonder blikken of blozen de aanwezigen verzocht Juréal op weg naar zijn laatste rustplaats te jonassen in zijn laken. ‘Zijn einde was vermakelijk, waarom zou zijn uitvaart niet vermakelijk mogen zijn?’

  • Michel de Ghelderode, Hop Signor!, 1935

[Lemma uit Koen Brams, Encyclopedie van fictieve kunstenaars (Nijgh & Van Ditmar, 2000), © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email