Jacques

Frans beeldhouwer (1819–1844). Tijdens de Julimonarchie maakte hij in Parijs deel uit van de Kring der Waterdrinkers, een genootschap van kunstenaars en bohémiens. Het genootschap was opgezet naar het voorbeeld van het Cenakel van de Vierwindenstraat, bekend uit Balzacs Illusions perdues. In tegenstelling tot de helden van Balzac, wisten de Waterdrinkers hun artistieke ambities niet te realiseren. Vandaag doen hun oeuvres bij niemand nog een belletje rinkelen.

Het tirannieke uitgangspunt van de Waterdrinkers was dat zij de hoge, ijle toppen van de kunst nimmer mochten verlaten, en dat zij, niettegenstaande hun materiële misère, geen enkele concessie mochten doen aan hun idealen. Een dichter die zijn lier aan de wilgen hing om een reclametekst of een geloofsbelijdenis te schrijven, had in hun ogen afgedaan. In de Kring der Waterdrinkers zag men dan ook met lede ogen aan dat Jacques hevig verliefd werd op het naaistertje Francine. Voor de dichter Lazare, de compromisloze voorzitter van de Kring, betekende Jacques’ liefdesverklaring aan zijn buurmeisje zoveel als een artistiek faillissement. De enige waardige maîtresse voor een kunstenaar was volgens Lazare de Mona Lisa, die onsterfelijk was en geen minnaar ooit zou bedriegen. ‘Jij bent geen beeldhouwer meer, jij bent een meisjeshouwer. Je mag wijn drinken als je zonodig wilt. Wij drinken water en eten kazernebrood, wij blijven kunstenaars’, aldus Lazare. Toen Francine aan de tering bezweek, vond Jacques bij de Waterdrinkers geen steun. Hij distantieerde zich daarop van zijn oude vrienden. Andere metgezellen uit de bohème – Schaunard [zie ald.] en Marcel [zie ald.] – trokken zich zijn lot wel aan.

Met een marmerslijper van het kerkhof Montparnasse sloot Jacques een overeenkomst. In ruil voor een smeedijzeren grafomlijsting, een stenen kruis en een stuk Pyreneeënmarmer was hij bereid om drie maanden onbezoldigd te werken. Het marmer wilde hij gebruiken om een beeld te maken voor het graf van zijn teerbeminde: een engel die zijn vleugels spreidt. Zo zou Francine als meesterwerk herrijzen. Jacques was evenwel het type kunstenaar dat zijn hartstocht tot werktuig van zijn kunst maakt. Hij trachtte afleiding te vinden door Francine te omhelzen op de lippen van een ander meisje. Marie, zijn nieuwe vlam, wenste niet te delen in zijn rouw en liet hem in de steek. Jacques takelde af en in maart 1844 stierf hij in het Saint-Louishospitaal. Hij werd bijgezet in het armengraf. Het monument voor Francine bleef onvoltooid. Jacques leeft niet voort in zijn kunst, maar in de gevleugelde woorden die hij sprak aan haar graf: ‘O! Mijn jeugd! Jij bent het die begraven wordt!’ [RH]

  • Henry Murger, Scènes de la vie de bohême, 1851

[Lemma uit Koen Brams, Encyclopedie van fictieve kunstenaars (Nijgh & Van Ditmar, 2000), © Rokus Hofstede]