Lemoens, Bertrand

Belgisch beeldend kunstenaar, actief op het einde van de 20ste eeuw. In de kunstopvatting van Bertrand Lemoens was de wisselwerking tussen kunst en maatschappij een vertrekpunt. Zijn faam dankte hij onder meer aan een Gedenksteen voor Verdwenen Personen, waarmee hij tegemoet wilde komen aan de emotionele behoeften van nabestaanden. Dwarsligger no. 28, de installatie die hij halverwege de jaren ’90 realiseerde voor de vijfde editie van het Efemere museum, (in Trith-Saint-Léger, nabij Valenciennes), was bedoeld om protestacties tegen fabriekssluitingen te memoreren. Lemoens’ werk beantwoordde volledig aan het credo van Hubert Desmedt, curator en organisator van het Efemere museum, een groepstentoonstelling met bijdragen van vijftien vooraanstaande beeldhouwers uit Frankrijk, België, Luxemburg en Nederland, onder wie Claus, Frerick, Prinz, Luquoin, Schnitzler en de Deense kunstenaar met het pseudoniem E5/A1, bekend om zijn bonbonroze wegwijzers. Volgens Desmedt diende de werkelijkheid door het betekenisvolle kunstwerk te worden ‘geausculpteerd’ – in zijn eigen woorden: de autonomie van het kunstwerp als illusie van de hand wijzen, waardoor de vraag naar de verhouding tussen kunst en maatschappij opnieuw actueel wordt.

Voor zijn installatie bevestigde Lemoens een dwarsligger, afkomstig van een spoorwegemplacement op het braakliggende terrein van de Usinor-hoogovens, met een kabel aan de mast van een vlot dat midden op een vijver dreef. Op tussen de bomen gehangen lakens werden na zonsondergang vanaf het vlot oscillerende dia’s geprojecteerd van de grote protestdemonstratie van november 1985. Dat najaar hadden de Unimétalfabrieken als gevolg van een Brussels besluit hun poorten gesloten, waarop er in het Noord-Franse industriegebied hevige onlusten uitbraken. De C.R.S. had fabrieksterreinen bezet, en bij gewelddadige acties van de staalarbeiders waren aan weerszijden ettelijke gewonden gevallen. Dwarsligger no. 28 maakte onder de toeschouwers veel emoties los en werd in de lokale pers lovend besproken.
Het effect van de installatie was niet alleen van symbolische aard. Door een combinatie van artistieke procédés en klassieke recherche-technieken wist Lemoens omstreeks de manifestatie in Valenciennes de oplossing voor een moordzaak aan te reiken. Tijdens zijn clandestiene bezoek aan het terrein van de hoogovens had hij waargenomen hoe schroothandelaars in een luchtpijp een lijk hadden aantroffen en schielijk doen verdwijnen. Doordat hij een aantal in de luchtpijp gevonden aanwijzingen – een halsketting, de inscriptie BLECK MAN – in verband kon brengen met tijdens de protestdemonstraties gemaakte dia’s, was Lemoens in staat de verkrachter en moordenaar van een in het najaar van 1985 spoorloos verdwenen meisje te traceren. Toen de voortvluchtige crimineel, Bleck geheten, bestuurder van een MAN-oplegger, begreep dat Lemoens hem op het spoor was, probeerde hij de kunstenaar-detective van de weg te rijden. Lemoens kwam er met de schrik vanaf, Bleck hield er een gebroken been aan over. Een week later bekende hij zijn misdaad. Bertrand Lemoens beschouwde autowrakken als monumenten die automutilerende lichamen voor zichzelf oprichten.

  • Didier Daeninckx, Traverse no. 28, 1994

[Lemma uit Koen Brams, Encyclopedie van fictieve kunstenaars (Nijgh & Van Ditmar, 2000), © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email