Georges Simenon, ‘Manesteek’, nawoord

In de zomer van 1932 maakte Georges Simenon een reis van drie maanden door Afrika, van Egypte langs de evenaar in westelijke richting. Hij bracht onder meer vijf dagen door in Matadi, aan de monding van de Congo, waar zijn jongere broer Christian havenmeester was.

Nog datzelfde najaar verscheen, in de stijl van grote reporters als Albert Londres en Joseph Kessel, een zesdelige reportage in het geïllustreerde tijdschrift Voilà, getiteld ‘L’heure du nègre’, met als ondertitel: L’Afrique vous parle: elle vous dit merde.

> Lees verder

Gedaanten van een weifelaar

Je zou hem de Proteus van de twintigste-eeuwse Franse literatuur kunnen noemen. André Gide (1869-1951), auteur van onder meer Les Caves du Vatican en Les Faux-monnayeurs, neemt als schrijver de meest uiteenlopende gedaanten aan, hij is altijd daar waar je hem niet verwacht: ‘Al mijn boeken keren zich tegen de liefhebbers van het vorige,’ noteert hij ironisch in zijn dagboek.

Weinig schrijvers zijn zo ongrijpbaar als Gide. Dat heeft alles te maken met zijn streven naar authenticiteit: elke eenduidige weergave van de werkelijkheid vindt hij een vervalsing, een ‘kunstmatige constructie waaruit het leven zich meteen terugtrekt,’ zoals hij in juni 1927 schrijft, en alleen door telkens een andere positie in te nemen denkt hij de complexe werkelijkheid recht te kunnen doen.

> Lees verder

De schrijver als exorcist

‘Ik ben anders dan de anderen!’ De noodkreet van een kind dat zich buitengesloten ziet, de oorsprong van een schrijversroeping, de kern van een imposant literair oeuvre. André Gide (1869-1951) tast in zijn werk voortdurend de grenzen van zijn eigen identiteit af, stelt zich onophoudelijk die ene vraag: wat maakt mij tot de persoon die ik ben?

Ikzelf, luidt het paradoxale antwoord. Er zijn maar weinig schrijvers op wie de ondertitel van Nietzsches zelfstudie Ecce homo, ‘Hoe je wordt wat je bent’, beter van toepassing is dan op Gide.

> Lees verder