Een gloednieuwe grootmoeder

Een gezaghebbend recensent van een al even gezaghebbend boekenkatern raakt zijn vrouw kwijt, die na een auto-ongeluk in coma is geraakt. Dan gebeurt er een mirakel. Meer dan twintig jaar eerder heeft hij onder het pseudoniem Richard Glen een niemendalletje geschreven en gepubliceerd, puur voor de lol, en nu krijgt hij ineens een brief van een Belgische studente die het boek bij toeval heeft gelezen en gefascineerd is geraakt door de ingenieuze literaire allusies. Hij antwoordt uit naam van Glen, er komt een briefwisseling op gang, en langzaam begint de snobistische recensent Frédéric Lahnberg plaats te maken voor de sjofele romancier Richard Glen.

Wie ooit iets van Didier van Cauwelaert heeft gelezen, herkent zijn signatuur meteen. Alle boeken van de in Nice geboren Fransman van Belgische afkomst draaien om het thema identiteit, of liever gezegd de instabiliteit daarvan, en zijn nieuweling Corps étranger vormt geen uitzondering op de regel die hij met successen als Les Vacances du fantôme (1986), Un aller retour (1994) en La Vie interdite (1997) tot zijn handelsmerk heeft verheven.

In dat laatste boek, onlangs door Rosalie Siblesz met zwier vertaald onder de titel Het verboden leven, nam het identiteitsthema een bijzondere wending: het is geschreven vanuit het perspectief van iemand die net is overleden en die als geest toekijkt hoe zijn omgeving reageert op zijn onverwachte dood. Inderdaad is identiteit, het feit dat je persoon X bent en niet persoon Y, bij Van Cauwelaert niet los te zien van de merkwaardige relatie die lichaam en geest met elkaar onderhouden. In Les Vacances du fantôme wisselen twee lichamen bijvoorbeeld van geest, en de titel van zijn nieuwe roman, Corps étranger (‘Vreemd lichaam’), kon in dit opzicht niet explicieter zijn.

Een vreemd lichaam is in de geneeskunde iets wat niet thuishoort in een bepaald organisme. Net als Jean Cayrol, auteur van de roman Les Corps étrangers uit 1959, speelt Van Cauwelaert met de term. Enerzijds is Richard Glen natuurlijk een Fremdkörper in het leven van de strenge criticus Frédéric Lahnberg. Anderzijds voelt de ‘ik’ zich steeds minder thuis in het lichaam van die laatste, met zijn verwaande snorretje en zijn dure maatpakken, dat geleidelijk aan letterlijk een vreemd lichaam wordt voor de geest die erin huist.

De oplossing, in eerste instantie althans, is een dubbelleven. Lahnberg scheert zijn snor af en laat er met het oog op zijn activiteiten bij de krant een opplakbare namaaksnor van maken, hij koopt sjofele kleren en schaft naast zijn chique Armstrong-Siddeley een tweedehands Kevertje aan, hij huurt aan de overkant van de straat een leegstaand appartement waar hij de post uit België en eventueel de Belgische studente zelf kan ontvangen, en zo komt Richard Glen langzaam tot leven.

Uiteindelijk verdwijnt Frédéric Lahnberg helemaal, zoals te verwachten viel. Richard Glen wordt verliefd op de studente Karine, noodgedwongen verzint hij zijn eigen verleden voor haar, en na de nodige hindernissen te hebben overwonnen maken zij zich klaar om definitief samen verder te gaan: Richard laat zijn alter ego in het niets oplossen, Karine maakt een einde aan haar eigen dubbelleven en komt naar Parijs.

Het klinkt allemaal te mooi om waar te zijn, en ook dat is kenmerkend: als geen ander slaagt Van Cauwelaert er telkens weer in een volstrekt ongeloofwaardig verhaal aannemelijk te maken, op zo’n manier dat het de normaalste zaak van de wereld lijkt wanneer iemand met een zelfverzonnen verleden op zoek gaat naar een geschikte kandidate om als liefdevolle grootmoeder te dienen – en die nog vindt ook, in de persoon van een seniel, aandoenlijk oudje dat het geluk heeft de naam Glen te dragen.

Bij een mindere schrijver zou zo’n ludiek gegeven algauw ontaarden in een goedkope klucht, een lachfestijn dat ten koste gaat van de consistentie van het verhaal. Van Cauwelaert maakt die fout geen moment, hoe kolderiek sommige scènes ook zijn. Als een van de weinigen is hij in staat tegelijkertijd grappig en ontroerend te zijn, de meest virtuoze taalgrapjes te koppelen aan een niet aflatende tederheid voor zijn personages, een combinatie die hem in de buurt brengt van iemand als Raymond Queneau.

Net als bij Queneau ligt de diepte bij Van Cauwelaert aan de oppervlakte. Er is geen verborgen boodschap die moet worden opgediept, alles ligt voor het oprapen: de ontreddering van een man die de vrouw heeft verloren van wie hij hield, de twijfels over de zin van ‘zekerheden’ in het leven, de opwinding van een nieuw begin en van een nieuwe liefde. Van dat alles raakt de lezer doordrongen, maar zonder dat het hem ingepeperd wordt. Misschien schuilt daarin de grootste kracht van Van Cauwelaerts schrijven: hij weet je te raken zonder te slaan.

Het verboden leven, de voorganger van Corps étranger, oogstte naast alle lof op één punt ook kritiek, namelijk op het slot van de roman, waar de reeds dode hoofdpersoon nogmaals ‘sterft’. Het schijnt dat Van Cauwelaert zelf ook echt gelooft dat de ziel pas tot rust komt na een verblijf in een soort wachtkamer met uitzicht op de wereld die zij net verlaten heeft. Dat is uiteraard zijn goed recht, maar voor een roman is het een enigszins teleurstellende ontknoping.

Het is dan ook jammer dat hij in Corps étranger opnieuw voor eenzelfde soort slot heeft gekozen: als Richard Glen van zijn gloednieuwe Bretonse grootmoeder terugrijdt naar Parijs krijgt hij een auto-ongeluk, en de hele roman blijkt te zijn ‘geschreven’ na zijn dood. De ‘ik’ ziet Karine langzaam haar verdriet verwerken, en hij weet dat ze op een dag een nieuwe liefde zal vinden. Dan zal ook hij tot rust komen en op zoek gaan naar zijn vrouw Dominique, die hem na haar dood is blijven steunen in zijn nieuwe leven.

Ook Didier van Cauwelaert is niet perfect. Maar zolang hij op dit niveau blijft schrijven, zij het hem vergeven.

  • Didier van Cauwelaert, Corps étranger. Albin Michel, 1998.

[de Volkskrant, 20 november 1998, © Martin de Haan]