Pierre Michon, Vuur van Brigid en andere wintermythen (fragment)

Barthélémy Prunières

Barthélémy Prunières staat op de Causse Méjan. Hij zoekt er naar dode mensen. Dat is wat hij het liefste doet. Het feit dat hij arts is in Marvejols heeft weinig te betekenen – boven de lijdende lichamen uit zijn praktijk verkiest hij de lichamen die niet meer lijden. Zou God of de duivel op dat moment vóór hem op de Causse verschijnen en hem sommeren zijn leven te rechtvaardigen, dan zou hij zeggen: Ik ben antropoloog; ik ben lid van het Antropologisch Genootschap van Rijssel, het Antropologisch Genootschap van Parijs en het Antropologisch Genootschap van Bordeaux; in augustus 1870 heb ik per telegram mijn lidmaatschap van het Antropologisch Genootschap van Berlijn opgezegd. Geen Europees Genootschap dat mij niet kent. Ik heb ontzaglijke hoeveelheden overblijfselen uit de grijze oudheid omgewoeld. Ik heb de Baumes-Chaudes-mens bestudeerd, een fraaie langschedelige troglodiet, die hazenvlees at uit zeer grote, ruw aarden borden, en ik heb hem zijn naam gegeven. Ik heb de Causse-mens bestudeerd, een kortschedelige met een bijzonder orthognaat gezicht, van het ras dat door mij dolmeniek is gedoopt – ik heb het die naam gegeven. Ik heb de eer gehad te ontdekken dat bij deze twee etnieën, zowel het dolmeniekenras als het troglodietenras, forse trepanaties werden verricht bij jeugdige personen voorbestemd tot de staat van sjamaan; dat uit hun schedelbeen een schijfje ter grootte van een vijffrancstuk werd weggenomen; dat ze dat stukje bot dat aan hun hersenpan ontbrak als amulet om hun nek droegen, en dat het ze almachtig maakte. Degenen die zich geschokt toonden door de wreedheid van zulke praktijken heb ik voorgehouden dat goden die van de mens niet meer dan een stukje van zijn schedel vragen, nog voor toegeeflijk kunnen doorgaan. Mij vragen de goden om dag in dag uit de eindeloze puzzel van de dode mensheid bijeen te rapen.

Hij staat op de Causse Méjan, op de uiterste zuidwestgrens ervan, vlak voordat het plateau vol overgave neertuimelt in de bedding van de Jonte, in de buurt van Saint-Pierre-des-Tripiés; bij de vindplaats van de grot van de Dode Man, die hij uiteraard die naam heeft gegeven. Het is in de herfst van het jaar 1871. De vindplaats is een beenderengrot, door Prunières ontdekt in 1870. Eén enkele keer heeft hij hem doorzocht. Hij heeft hem niet erg zorgvuldig afgedekt, in de veronderstelling dat hij binnen een maand of twee zou terugkeren. Maar toen kwam de oorlog, toen kwamen de sabels van de ulanen, die mooie trepanaties verrichten, toen kwamen de al met al toegeeflijke goden, die twee jaren van hongersnood inwisselen tegen een fonkelnieuwe republiek; toen kwamen twee jaren van regen, vorst en knaagdieren, van instortingen op de Causse; en als Prunières terugkeert, is de helft van de beenderengrot in het ravijn gestort.

Het is herfst. Prunières heeft dokter Broca meegenomen, voorzitter van het Antropologisch Genootschap van Parijs (en dit heerschap kent ons, op zijn manier, al kennen wij hem niet: we hebben allemaal onder onze schedel een zogeheten winding van Broca). De hele dag zijn ze bezig geweest met het rapen en benoemen van beenderen, zoals de doodgraver in Hamlet. Ze hebben ze in twee grote kisten gelegd, die de pastoor van Saint-Pierre voor hen heeft laten gladschaven. De dag loopt ten einde. De vermoeide Broca staat voor de grot een sigaar te roken, hij kijkt naar de herfst, naar de troglodietenbeenderen in de kist van de pastoor, hij denkt aan de dingen en aan de naamgeving van de dingen. Voordat ze vertrekken maakt Prunières een laatste inspectieronde door het ravijn. En daar beneden, driehonderd meter verderop, vindt hij nog een bijzonder fraai, hagelwit opperarmbeen. Tegelijk met dat been vindt hij de mooie, eenvoudige zin die hij zal uitspreken op het antropologisch congres van Bordeaux op 12 september 1872: ‘Al deze beenderen waren gebleekt door regen, dauw en sneeuw.’

In december 1893 komt dokter Prunières midden in de nacht terug van een bevalling op het plateau van Aubrac. Hij wordt door een sneeuwstorm overvallen. Hij vecht urenlang, hij heeft een taai gestel, gehard door de omgang met lijdende lichamen en lichamen die niet meer lijden. Dan geeft hij de strijd op, hij schuilt tussen drie rotsen net als de goede oude troglodiet. Hij zegt bij zichzelf: ‘Ik ga dood.’ Hij zegt bij zichzelf: ‘De Baumes-Chaudes-mens, het troglodietenras, het dolmeniekenras, de schedelschijfjes.’ Hij zegt bij zichzelf dat ze zijn lichaam niet zullen terugvinden. Hij zegt hardop: ‘Al deze beenderen waren gebleekt door regen, dauw en sneeuw.’ Onze moeder de sneeuw dekt hem toe.

Toen hij ’s morgens werd gevonden, leefde hij nog. Hij overleed later die dag aan een acuut longoedeem.

[Pierre Michon, Vuur van Brigid en andere wintermythen (Fr.: Abbés & Mythologies d’hiver), vertaling Rokus Hofstede, Van Oorschot, 2005]

Print Friendly, PDF & Email