Schoonheid als kapitaal

‘In Holland wordt per jaar 69,2 miljoen gulden aan cosmetica besteed, wist je dat? Moet je eens uitrekenen wat je voor dat geld kad kunnen krijgen aan kinderopvang, Blijf-van-m’n-Lijfhuizen of gewoon etentjes in een goed restaurant.’

Naomi Wolf weet het wel te brengen, maar in haar bevlogenheid is ze slordig. In 1988, melden cosmetica-frabrikanten, werd weer eens een ‘magische grens’ gepasseerd: in dat jaar spendeerde de Nederlandse consument f 2.060.000.000,- aan schoonheidsproducten. Het is dertig maal erger dan Naomi dacht. Voor herencosmetica alleen werd al meer dan het dubbele neergeteld van het door Wolf in haar retorische ijver genoemde bedrag. Niet alleen voor klassieke after-shaves, maar ook voor bodylotions, eaux de toilette, sun tan creames, moisturizing creams (eufemismes voor dag- en nachtcrème), scrubs, cleansers, en alle andere mannengeurtjes en herensmeersels die de markt overspoelen. Moet je eens uitrekenen wat je voor dát geld had kunnen krijgen aan aids-onderzoek, studiebeurzen of gewoon slagroomsoezen.

Maar ik wil het best geloven. Dat schoonheidsidealen voor vrouwen obsessieve, ‘mythische’ vormen kunnen aannemen. Dat de industrieën van de optische illusie daar garen bij spinnen. Dat het uiterlijk van mannen zich voegt in een arbeidsdeling tussen kijkers en bekekenen, machtigen en machtelozen. Dat die arbeidsdeling wordt opgerakeld in een soort antifeministische backlash: schoonheidseisen als ondermijning van vrouwenemancipatie.

Toch wringt er iets. Ik geef toe, ik ben partijdig, net als Naomi Wolf, net als iedereen die zich uitlaat over schoonheid. Ik heb kraaiepootjes en een wijkende haarlijn, en ben niet ongevoelig voor de teloorgang van mijn jongensachtige charmes. Voordat ik het huis uit- of een café inga, controleer ik mijn verschijning met een geoefende blik. Er liggen dertien broeken in de kast, maar ik heb niets om aan te trekken. Dat is waar het wringt. Mannen, of de (zoals Wolf het noemt) ‘mannelijke instituties’ waarin zij de lakens uitdelen, hebben er volgens haar belang bij om vrouwen op te zadelen met het idee-fixe van een nooit te bereiken lichamelijke perfectie. Mannen blijken echter even vatbaar voor de fabeltjes die hun over hun hun lichamelijke tekortkomingen worden aangepraat. Mannen zijn met andere woorden tegelijk de aanstichters en de aanstaande slachtoffers van de schoonheidsmythe.

Waar komen ze vandaan, al die kerels met hun precieuze poedelpermanentjes en hun geföhnde lokken, hun getailleerde tochtlatten en hun gesoigneerde staartjes? De fijne kneepjes van de lichaamsverzorging blijken minder en minder een gesloten vrouwenwereld, en eetstoornissen of plastische chirurgie minder en minder een vrouwelijk voorrecht. Ook onder mannen raakt het rituele gebruik van de heilige olieën der cosmetica wijdverbreid. Ook zij zijn gevoelig voor de valse beloften van de parfumeurs. Die hebben hen ontdekt, als een groots, onontgonnen afzetgebied, en laten niets na om de investeringen ter plaatse aan te moedigen. Met succes, want de herenlijn vormt in de cosmeticabranche de snelstgroeiende deelmarkt.

De hamvraag voor veel mannen is niet meer of ijdelheid in strijd is met mannelijkheid of met een arbeidzaam leven; de hamvraag is of dit geurtje mannelijk genoeg is, of dat pak schoudervulling behoeft en of die bakkebaarden nou eigenlijk wel kunnen of juist niet meer. Het wordt niet meer voor verwijfd aangezien om mannelijkheid uitbundig te stileren, hoezeer daarin ook een feminiene betrokkenheid bij schoonheid en verschijning te ontdekken valt. Het zal wel een ambivalente erfenis zijn van de tweede feministische golf: nu vrouwen op grote schaal de openbaarheid voor zich opeisen, kijken mannen op steeds grotere schaal in de spiegel.

Het bevorderen van de mannelijke ijdelheid draagt bij aan het ontzenuwen van de door Naomi Wolk gehekelde antifeministische backlash. Schoonheid is immers een vorm van kapitaal waarop mannen niet het alleenrecht hebben. Schoonheid heeft een potentiële marktwaarde die niet afhangt van de sekse van zijn drager. Als er dan toch geconcurreerd moet worden, waarom dan niet onder voorwaarden waar vrouwen van oudsher mee vertrouwd zijn? Het prikkelen van de behaagzucht van degenen die men wil behagen is een manier om niet afhankelijk van hen te worden. Door naar de machtigen te kijken op de manier waarop zij zelf doorgaans kijken, kaatst men hun blik terug, ondermijnt men hun macht. Als onverschilligheid tegenover het uiterlijk geen voorrecht van mannen meer is, wordt het uiterlijk misschien niets meer dan een toegevoegde waarde, in plaats van de conditio sine qua non waar vrouwen in Wolfs onheilszwangere proza onder gebukt gaan.

Vrouwen zouden om te beginnen de ongeschoren of onwelriekende minnaar van dienst met hoongelach kunnen terugsturen naar de badkamer, op het werk demonstratieve afbeeldingen van verleidelijke jongelingen kunnen ophangen en in sollicitatiecommissies kunnen ijveren voor de meest smaakvol ogende kandidaat. Dan komt er een moment dat wij mannen gaan terugverlangen naar de de tijd dat we als grijze muizen door het leven konden gaan.

[De Mannenkrant, 1991:28, jubileumnummer, als bijlage toegevoegd aan Opzij. © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email