Vivant Denon, ‘Eenmaal, immermeer’, fragment

Ik was smoorlijk verliefd op gravin De ***. Ik was twintig en ik was onnozel; ze bedroog me, ik werd boos, ze verliet me. Ik was onnozel, ik wilde haar terug; ik was twintig, ze vergaf me. En omdat ik twintig was en onnozel, nog altijd bedrogen maar niet langer verlaten, waande ik me de innigst beminde aller minnaars en dus de gelukkigste man van de wereld. Zij was goed bevriend met madame De T***, die het een en ander met me voor leek te hebben, zonder evenwel haar waardigheid uit het oog te verliezen. Zoals we zullen zien, had madame De T*** zedelijke principes waar ze scrupuleus aan vasthield.

Op een dag toen ik de gravin wilde opwachten in haar loge, hoorde ik iemand me roepen vanuit de loge ernaast. Nee maar, was dat niet die zedige madame De T***? ‘Wat! Zo vroeg?’ klonk het. ‘Is dat niet gruwelijk saai? Komt u toch bij mij zitten.’ Ik was in de verste verte niet bedacht op de onwaarschijnlijke, bizarre wending die de ontmoeting algauw zou nemen. Het gaat hard als vrouwen hun verbeelding de vrije teugel laten, en die van madame De T*** was op dat moment bijzonder goed op dreef. ‘Ik wil niet dat u zich belachelijk maakt door daar zo alleen te zitten,’ zei ze. ‘Maar nu ik u toch zie, wil ik… Ja, dat is een prachtig idee. Het lijkt wel of een goddelijke hand u hierheen heeft geleid. Had u toevallig al plannen voor vanavond? In dat geval gaan ze niet door, ik waarschuw u maar vast. Nee, geen vragen, geen gemaar… roept u mijn personeel. U bent charmant.’ Ik maak een diepe buiging… ze maant me tot spoed, ik gehoorzaam. ‘Ga naar het huis van meneer,’ zegt ze tegen een bediende, ‘laat weten dat hij vanavond niet thuiskomt…’ Ze fluistert hem iets in het oor en stuurt hem weg. Ik wil wat zeggen maar de opera begint, het zwijgen wordt me opgelegd: ze luistert, of doet alsof. Nauwelijks is het eerste bedrijf afgelopen of daar komt dezelfde bediende terug met een briefje voor madame De T*** en de mededeling dat alles gereed is. Ze glimlacht, reikt me haar hand, gaat naar beneden,
laat me in haar rijtuig plaatsnemen, en voordat ik heb kunnen informeren wat ze met me van plan is, ben ik al buiten de stad.

[Vivant Denon, Eenmaal, immermeer (Fr. Point de lendemain), vertaling Martin de Haan en Rokus Hofstede. Voetnoot, Perlouses 1, 2003.]