Seksueel beestenspel

Eden, Eden, Eden van Pierre Guyotat is een onleesbaar boek.

Wie een boek onleesbaar noemt, bedoelt te zeggen dat het ontoegankelijk is en suggereert dat die ontoegankelijkheid uitsluitend aan het boek moet worden geweten. Het eigen smaakoordeel en het eigen doorzettingsvermogen blijven buiten schot. Maar wat als een boek nu juist geschreven is met het oogmerk het smaakoordeel en het doorzettingsvermogen van de lezer op de proef te stellen?

Eden, Eden, Eden is geen onleesbaar boek. Het is geschreven in klare taal, omgezet in goed Nederlands, de zinnen hebben onderwerp en gezegde. Toch is de ontoegankelijkheid ervan groot. De gestage consumptie van bladzijden waaruit het lezen van een roman doorgaans bestaat, is hier niet aan de orde. Na een paar bladzijden is de lezer, althans deze lezer, murw gebeukt door een woordenstroom die alleen maar lijkt te bestaan uit een draaikolk van dierlijke driften.

Dat gaat bijvoorbeeld zo: ‘met hun voeten stoten ze tegen het lichaam van de kroeskop die met zijn ogen dicht kreunend de hiel likt vol verpulverd, opgedroogd sperma van de schandknaap; de hondenbaas duwt Wazzag tegen de deurpost van de gang, tegen de blonde boorder aan: die slaat zijn armen om hem heen – zijn stuiptrekkende voet graaft in het bilvlees van de koortsige klompvoet – en penetreert hem schreeuwend met een stoot tegen zijn achterwerk; zijn gebogen lid glijdt door het verse sperma van de hondenbaas en dijt uit in Wazzags reet’ – en zo voorts.

Al in de eerste tien bladzijden van Eden, Eden, Eden maakt de lezer kennis met een griezelig arsenaal aan seksuele varianten: incest, groepsverkrachting, pedofilie, zoöfilie, coprolagnie en necrofilie. En Guyotat laat niet af: in een ononderbroken lap tekst van 250 pagina’s, zonder één punt, schetst hij in een visioen van collectieve seksuele razernij, van ongelimiteerde lustbevrediging, dat elke pornografische verbeelding tart. Zijn litanie van de lust speelt zich af in Noord-Afrika, in een bergachtig, post-apocalyptisch oord dat het midden houdt tussen een kazerne, een garage en een bordeel, waar een ongeregelde groep soldaten, arbeiders, hoeren, slaven en dieren zich aan schanddaden overgeven.

Toen Eden, Eden, Eden in 1970 in Frankrijk verscheen, met prestigieuze voorwoorden van Michel Leiris, Roland Barthes en Philippe Sollers, werd het boek onmiddellijk getroffen door een drievoudig verbod, op affichage, publiciteit en verkoop aan minderjarigen. Aan dat verbod zat ook een politieke dimensie. Guyotat bracht als dienstplichtige tijdens de Algerijnse oorlog drie maanden door in een cachot op beschuldiging van ondermijnende activiteiten en medeplichtigheid aan desertie. De ontwrichte, tuchteloze wereld die hij in Eden, Eden, Eden beschreef, vormde niet bepaald een flatteus portret van de Franse ex-kolonie. Pas in 1981, toen Mitterrand aantrad als president van Frankrijk, werd de censuur opgeheven.

Hoewel Pierre Guyotat veel meer heeft geschreven, is Eden, Eden, Eden het onbetwistbare hoogtepunt van zijn door seks en oorlog geobsedeerde oeuvre. In zijn latere werk bereikt hij een graad van onleesbaarheid die de lezer fysiek vervreemdt. Al in Prostitution (1975) experimenteert hij met spelling en woordenschat, en in het recente Progénitures (2000) hanteert hij een soort privétaal, een geheimschrift dat alleen nog in de verte aan gangbaar Frans doet denken. Eden, Eden, Eden was niet het nieuwe vertrekpunt dat Barthes en de zijnen erin zagen, maar een eindpunt: een soort nec plus ultra van de avant-garde van de jaren ’60, toen literaire en politieke radicaliteit nog leken te kunnen samengaan. Voorbij dit boek wachtte de wartaal.

Het smaakoordeel en het doorzettingsvermogen van de lezer worden in Eden, Eden, Eden met andere woorden danig op de proef gesteld. Het is even wennen, een tekst waarin het aantal zaadlozingen het aantal pagina’s ruimschoots overtreft. Na verbijstering en weerzin volgen ongeloof en fascinatie: lees ik dit goed? Hoe kan zoiets worden geschreven? Hoe kan zo’n willoos aan honger en bezoedeling overgeleverde wereld bestaan? Voordat verveling de kans krijgt toe te slaan, werp je het boek lamgeslagen en vertwijfeld in een hoek. Om er de volgende dag toch weer in verder te lezen, want van Guyotats maniakale herhalingsdwang gaat een vreemde betovering uit.

Er moet meer zijn, er is ook meer. Het meer zit in de regelmatig terugkerende, tussen aanhalingstekens geplaatste commentaren waarin een menselijke stem de in woordloze obsceniteiten verzonken protagonisten toespreekt, droomachtige intermezzo’s waarin het sperma ‘liefdessperma’ wordt. Het meer zit vooral in de laatste zeventig bladzijden, waarin de handeling zich verplaatst van het bergachtige kampement naar een woestijn bij avond, een schuldeloze wereld van voor de zondeval waar een nomade, een slaaf, een vrouw, een zuigeling, een aap en nog wat viervoeters zich met wederzijdse instemming aan diverse meer of minder extatische praktijken wijden. Zelfs slangen ontbreken niet, en die slotscènes zijn dan ook goed te lezen als een paradoxale evocatie van het paradijs – het drievoudige ‘Eden’ van de titel heeft niet voor niets bijbelse accenten.

Maar voordat de lezer daar arriveert heeft hij zich door tweehonderd hallucinerende bladzijden geploegd die worden voortgestuwd door de microfysica, de mechanica en de hydraulica van de seks en waarin het ‘wroeten’, ‘schuimen’ en ‘kolken’ van lichaamsdelen niet van de lucht is. Na verloop van tijd lukt het de lezer sowieso niet meer wat dan ook te visualiseren en blijft alleen nog de taal overeind, een minimalistisch bravourestuk, een basso continuo van verlangen en geweld.

Eden, Eden, Eden is een onleesbaar boek volgens de twijfelachtige canon van de leesbaarheid. Guyotat doet geen concessie: obsessief en schaamteloos legt hij de driften bloot die mensen bindt wanneer alle beschavingsvernis is verdwenen. Die driften zelf zijn evengoed obsessief en schaamteloos, maar alleen in extreme situaties kunnen ze alles en iedereen aan zich onderwerpen, en alleen in extreme boeken kunnen ze zozeer woorden uitvergroot dat ook lezen een onderwerping is.

Uitgeverij IJzer houdt met dit onwaarschijnlijke boek een reputatie van compromisloos avant-gardisme hoog. En vertaler Jan Rijnsburger verdient lof voor de heldhaftige vasthoudendheid waarmee hij Guyotats barbaarse choreografie heeft nagebootst. Wat niet wegneemt dat zijn vertaling een stuk prozaïscher klinkt dan het vaak verheven, archaïserende Frans dat bij Guyotat dient als contrapunt voor zijn seksuele beestenspel. Soms lijkt seks in het Nederlands zich ook te verzetten tegen pogingen tot poëtische weergave (‘je lippen, je handen, je van sperma gelijk aan bloed opgezwollen lid kussen, zuigen…’).

Voor ‘sperma’ gebruikt Guyotat meestal foutre, een oud woord dat aan Sade doet denken. Guyotat is een waardig opvolger van de hemelse markies. Wie in De 120 dagen van Sodom of De school der losbandigheid aan zijn trekken kwam, mag Eden, Eden, Eden niet ongelezen laten.

  • Pierre Guyotat, Eden, Eden, Eden, vertaald uit het Frans door Jan Rijnsburger, Uitgeverij IJzer, 2003.

[de Volkskrant, 3 mei 2002, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email