Arisch paradijs. De spraakverwarring van de Franse intelligentsia

De anders zo praatgrage Franse intellectuelen zijn de laatste jaren opmerkelijk stil. Van een breed front tegen extreem rechts is bijvoorbeeld nauwelijks sprake. Van die luwte maakt het gestudeerde deel van Le Pens aanhang handig gebruik. Tot ergernis van Maurice Olender, die onlangs fel van leer trok tegen Le Pens ‘wetenschappelijke mythen’. Onderwijl vraagt schrijver Jacques Roubaud zich openlijk af of Le Pen wel een echte Fransman is.

‘Het probleem is niet de stilte van de linkse intellectuelen tegenover extreem rechts, maar hun verblinding. Ze willen het niet zien. Extreem-rechtse standpunten zijn op dit moment al even eerzaam als alle andere. Dat heeft natuurlijk te maken met de algehele depolitisering: we laten de politici ‘hun werk doen’, werk waar we niets meer van begrijpen. Het gebrek aan waakzaamheid wordt in Frankrijk bovendien nog in de hand gewerkt doordat ‘links’ aan de macht is en er dus een denkbeeldige bescherming tegen bepaalde excessen bestaat. Maar het is ook bekend dat intellectuelen zelden het meest lucide deel van de bevolking uitmaken – kijk maar naar het gedrag van hen tijdens de laatste oorlog.’

Maurice Olender is in de eerste plaats wetenschapper. Hij is de auteur van een boek over het negentiende-eeuwse onderzoek naar Indo-europese talen. Daarin beperkt hij zich behoedzaam tot de periode vóór de Dreyfus-affaire (1894). Dat was de tijd waarin de wetenschap definitief haar greep verloor op de begrippen ‘arisch’ en ‘semitisch’, begrippen die in het negentiende-eeuwse taalonderzoek in zwang waren geraakt, maar in de twintigste eeuw een veel bredere en wredere strekking kregen dan ze in de ogen van hun ontwerpers hadden.

Onder druk van de actualiteit heeft Olender zijn wetenschappelijke schroom voor de politiek onlangs laten varen. In een artikel over het politieke gebruik van de Indo-europese prehistorie beschrijft hij het hardnekkige voortbestaan van Indo-europese oorsprongsmythen. Tegenwoordig blijken die namelijk gretig te worden omarmd door leden van het Wetenschappelijk Comité van Jean-Marie Le Pen. Olender wijst erop dat mythische voorstellingen over het paradijs onzer voorvaderen al eeuwenlang een voedingsbodem zijn voor wetenschappelijke en politieke ficties.

Olender: ‘Wat was de taal van het paradijs? In de zestiende-eeuwse Nederlanden zagen sommige geleerden overeenkomsten tussen de oude Germaanse talen en het Hebreeuws. Iemand als de Antwerpenaar Jan van Gorp beweerde in 1569 dat het Vlaams zelfs nog ouder is dan het Hebreeuws. Theologisch een tamelijk gevaarlijk standpunt: Adam en Eva spraken in de Hof van Eden Vlaams!’

‘Babel betekende de grote verwarring van de bijbelse eenheidstaal. Sinds de kerkvaders houdt men zich bezig met de vraag wat er van deze taal der oorsprongen was overgebleven. Dante vat het probleem in De vulgari eloquentia goed samen: ‘Wie zo onnozel is om te geloven dat zijn land het heerlijkst is onder de zon, zal zijn moedertaal verheven achten boven alle andere en zal derhalve menen dat zijn moedertaal dezelfde is als die van Adam.’ Die gemeenschappelijke droom, het idee dat de eigen taal, de eigen grond de wieg van de mensheid en het centrum van de wereld vormen, is vandaag nog even actueel als in de tijd van Dante.’

In zijn veelgeprezen boek Les langues du paradis (1989) onderzoekt Olender de mythe van de paradijselijke oorsprong van de westerse beschaving in het negentiende-eeuwse onderzoek naar Indo-europese talen. Olender, professor aan de École des Hautes Études en Sciences Sociales in Parijs, directeur littéraire bij uitgeverij Le Seuil en drijvende kracht achter het tijdschrift Le Genre Humain, beschrijft de rol die negentiende-eeuwse filologen als Renan en Müller aan ‘Ariërs’ en ‘Semieten’ toekenden. Hij laat zien hoe, in een tijd die vaak als bakermat van de ‘positieve wetenschap’ wordt beschouwd, wetenschappelijke vernieuwing met oude christelijke dogma’s was verstrengeld.

De eerste kerkvaders beschouwden het Hebreeuws als de oertaal der mensheid. Dat bleef de heersende opvatting totdat westerse geleerden eind achttiende eeuw in Indië het Sanskriet ontdekten. De kwestie van de oertaal werd al snel een modieus gespreksonderwerp in de salons: het besef dat er tussen het Nederlands, het Frans, het Grieks, het Perzisch en het Sanskriet relaties bestonden, prikkelde de stoutmoedigste fantasieën. In de academies begon men koortsachtig onderzoeksactiviteiten te ontplooien. Begin negentiende eeuw leidde dat tot het ontstaan van de vergelijkende grammatica en later tot de vergelijkende mythologie.

Olender: ‘Het staat buiten kijf dat de Indo-europese kwestie wetenschappelijk vrucht heeft afgeworpen. Begrippen als vergelijking en transformatie, waarop het hele twintigste-eeuwse structuralisme is gebaseerd, ontstonden in het kader van de ‘Indo-Germanische Forschungen’. Maar met het Sanskriet dachten mensen meteen ook: Ça y est! – We hebben het gevonden, dit is de oertaal van de mensheid. Het Sanskriet neemt dus in de negentiende eeuw de nog warme plaats van het Hebreeuws in. Het Sanskriet wordt een sublieme, natuurlijke, transparante taal – een haast bijbelse taal, de taal van een oosters paradijs dat eindelijk van het Hebreeuws is ontdaan.’

Om die mythische Indische en Perzische voorvaderen van de westerse beschaving te beschrijven, gebruikten de negentiende-eeuwse filologen afwisselend de termen ‘Ariërs’, ‘Indo-Germanen’ of ‘Indo-europeanen’. Daartegenover stonden de ‘Semieten’. Olender laat zien hoe de termen ‘arisch’ en ‘semitisch’ van meet af aan ruimer werden opgevat dan als louter taalkundige termen en hoe ze werden ingezet bij de constructie van een Indo-europees volk, een Indo-europees ras dat superieur werd geacht aan alle andere volkeren en rassen.

Olender: ‘We mogen niet vergeten dat rassenkunde, net als aardrijkskunde en psychologie, een de negentiende eeuw een achtenswaardige wetenschap was. Zeker tot 1870 werd de geschiedenis van de wereld beschreven met behulp van de termen ‘arisch’ en ‘semitisch’. Renan zegt dat de ‘arische baby’ en de ‘semitische baby’ een tweeling vormden: ze lagen in één wieg. Toen ze drie of vier jaar oud waren, scheidden hun wegen. De Semiet bleef een soort bedlegerige zieke, niet in staat tot denken of tot handelen, alleen bij machte “God is Één” te prevelen in een eindeloze monoloog die vlak was als de woestijn. De Ariër daarentegen werd de uitvinder van de Griekse filosofie, het Romeinse recht en alle andere verworvenheden van het Westen. Ik gebruik het beeld van de viertaktmotor: het nuttige vermogen van de ene slag, de arische, is groot, dat van de andere, de semitische, erg klein. Maar de Semieten beschikken over een groot geheim: het monotheïsme, de brandstof van de machine.’

Sinds de Dreyfus-affaire leiden de woorden ‘arisch’ en ‘semitisch’ hun leven meer buiten dan binnen de wereld der geleerden. Politieke redenaars larderen er vanaf dat moment hun betogen mee. Later eigenen de nazi’s zich het arische erfgoed toe; hun vijanden bedenken ze met het predikaat ‘niet-Ariër’. Olender: ‘Nonsens natuurlijk. Volgens Dumézil kan de ideologische en politieke besmetting van het woord ‘arisch’ alleen worden tegengegaan door het nauwkeurige gebruik van de term, bijvoorbeeld door hem te reserveren voor een Iraanse inscriptie uit het tweede millennium voor Christus, een inscriptie die verder niemand interesseert, en zeker Le Pen niet.’

Georges Dumézil, de grote twintigste-eeuwse onderzoeker van Indo-europese mythologieën, heeft het Indo-europese onderzoek in zekere zin geseculariseerd. U laat zien dat sommige met de Nouvelle Droite verbonden intellectuellen op hun beurt Dumézil willen ‘voorbijstreven’.

‘Begin jaren zeventig, toen ik studeerde, kwam ik een onbekend tijdschrift tegen, Nouvelle école, dat een themanummer wijdde aan Dumézil. Meteen al op de eerste bladzijde stuitte ik op een lofzang op onze Indo-europese voorvaderen, op een toekomstmodel dat we aan de Indo-europese mythen zouden moeten ontlenen. Het was een mengelmoes van negentiende-eeuwse theorieën en van nazistische herinterpretatie van die theorieën. Toen ben ik me gaan afvragen waar en hoe de eerzame wetenschap der Indo-europese studies overging in nationalistische en racistische pamflettenschrijverij. In feite was het streven naar een nieuwe wetenschap van meet af aan gekoppeld aan een queeste naar oorsprongsmythen – een academische queeste, die vanaf 1880 steeds meer gepolitiseerd raakte. De ironie van het verhaal is dat de meest verheven kant van de arische mythe – de Indo-europeanen als voorlopers van de beschaafde, verlichte wereld – voorheen de oorsprongsmythe was van de kinderen van Adam, en dus een Hebreeuwse mythe.’

‘In feite is de cultus van de ‘Indo-europese cultuur’ of het ‘Indo-europese volk’ – vaak een eufemisme voor het blanke ras – maar een van de thema’s die de ‘nieuw-rechtse’ intellectuelen verbindt. Een ander thema dat bij een aantal auteurs terugkeert, is de verdediging van Faurisson, een van de historici die het bestaan van gaskamers in het Derde Rijk ontkennen. Weer anderen pleiten voor rassentheorieën, gebaseerd op dubieus onderzoek naar het IQ van zwarten en blanken. Op dit moment is het Alain de Benoist die in Frankrijk een belangrijke rol speelt bij de verspreiding van ideeën over het ‘Indo-europese volk’ of over rassenpsychologie; naar het schijnt wordt hij ook in Vlaanderen veel vertaald. In 1988 richtte De Benoist een tijdschrift op, Krisis, gepresenteerd als een ‘plaats waar vragen worden gesteld en debatten ondernomen’. We komen er artikelen in tegen van mensen als Jean-Yves le Gallou, medeoprichter van het Wetenschappelijk Comité van Le Pen, en Claude Carnou, auteur van een tekst ter verdediging van Faurisson. Maar we treffen er ook een hele reeks vermaarde intellectuelen in aan, mensen als Jean Baudrillard, Michel Maffesoli, Régis Debray of Max Gallo, die we eerder met de linkse intelligentsia zouden associëren.’

Wordt daarmee volgens u het neo-fascistische gedachtengoed gelegitimeerd?

‘Begrijp me goed: ik heb niet het gevoel dat er morgen in de straten van Parijs pogroms zullen uitbreken. De geschiedenis dist nooit dezelfde gerechten op. Maar als intelligente mensen, die het politiek goed bedoelen, althans vanuit mijn humanistische gezichtspunt, publiceren naast mensen die zorgen voor de rehabilitatie van hersenschimmen uit de negentiende eeuw of van het hergebruik van die hersenschimmen binnen het twintigste-eeuwse fascisme en nazisme, dan is daarmee de grens tussen een nazi-geschrift en een tijdschrift ‘voor iedereen’ opgeheven. Haast niemand leest Krisis, dus het blijft een microverschijnsel, het gewicht ervan binnen de cultuur is miniem. Maar toch betekent het dat er een legitimiteit wordt gecreëerd, die de bodem kan vormen voor onvermoede politieke ontwikkelingen. Een microverschijnsel kan verkeren in een macroverschijnsel.’

Le Pen heeft het steeds vaker over een joodse samenzwering die haar netten over de Parijse politiek en media uitspreidt. Bestaat er ook zoiets als wederzijdse minachting tussen intellectuelen en extreem-rechtse politici?

‘Die bestaat, maar de minachting is verschillend van aard. De mythe van de kosmopolitische samenzwering tegen de nationale zuiverheid, de haat tegen de intelligentsia, dat is een klassiek thema, en Le Pen melkt het uit zoals zovelen voor hem. Rijke mensen belasteren door ze uit te maken voor jood: ook al zo’n gemakzuchtige gemeenplaats. Het maakt helaas niet uit hoe vaak je ze ontkracht, zulke redeneringen steken steeds weer de kop op.’

‘Van de kant van de intellectuelen is de situatie ingewikkelder. Er zijn twee tendensen. Je hebt degenen die helemaal paranoïde worden, die een soort omgekeerde complottheorie aanhangen, die op elke straathoek de bruine pest zien opdoemen. En je hebt degenen die alles rooskleurig inzien, die niets willen zien. Wat mij verontrust is dat mensen met wie ik me verwant voel dermate verblind zijn dat ze menen dat meningen uitwisselbaar zijn: elk denksysteem is gelijkwaardig, alle volkerenmoorden wegen even zwaar. Dus u, monsieur, u bent een denker van extreem-rechts, ik ben een sociaal-democraat, hij daar is een oude linkse rakker, en we zijn allemaal even fatsoenlijk. Wat mij verontrust, is het gebrek aan onderscheidingsvermogen, dat weke pluralisme, die democratie die zich onaantastbaar waant. Wat hier in het geding is, is de consensuspolitiek die vaak met het democratische functioneren samenhangt: niemand wordt buitengesloten, iedereen mag zijn zegje doen. Vijf minuten voor de joden, vijf minuten voor Adolf Hitler. Persoonlijk ben ik vóór pluralisme, ik wijs elke censuur af. Maar ik ben tégen spraakverwarring, oftewel het samenkomen op één plek van opinies die eigenlijk volstrekt onverenigbaar zijn.’

De arische mythe gaat gepaard met een min of meer verhulde kritiek op de ‘joods-christelijke cultuur’. Toch vindt het Front National juist onder katholieken een groot aantal fanatieke volgelingen: de aanhangers van de aartsconservatieve bisschop Lefèvre, de zogeheten ‘integristen’.

‘Dáár ligt in de huidige situatie misschien een echt gevaar. De cultus van de Indo-europese gedachte door de nazi’s en tegenwoordig door Nieuw Rechts gaat inderdaad gepaard met een verheerlijking van het heidendom. Wanneer groepen die elkaar in beginsel uitsluiten, zoals de neo-paganisten van Nieuw Rechts en de integristen met hun Latijnse missen en hun zwarte priesters, zich rond het Front National beginnen te groeperen, dan ontstaat er een dynamiek die niemand in de hand heeft. Wanneer mensen die niets met elkaar te maken hebben en elkaar even tevoren nog verketterden, als één man de straat op gaan en achter dezelfde vlag aanlopen, dan wordt het link. Maar dat lijkt in Frankrijk niemand te zien.’

  • Maurice Olender, Les Langues du paradis: Aryens et Sémites, un couple providentiel, Gallimard / Le Seuil, 1989; een Engelse vertaling verscheen in 1992 onder de titel The Languages of Paradis bij Harvard University Press.

Is Le Pen een Fransman?

Als Le Pen een Fransman is volgens de definitie van Le Pen, dan zou dat volgens de definitie van Le Pen inhouden dat de moeder van Le Pen en de vader van Le Pen zelf Fransen zijn geweest volgens de definitie van Le Pen, en dat zou weer betekenen dat, volgens de definitie van Le Pen, de moeder van de moeder van Le Pen, en ook de vader van de moeder van Le Pen en ook de moeder van de vader van Le Pen, en niet te vergeten de vader van de vader van Le Pen volgens de definitie van Le Pen Fransen zijn geweest, waaruit volgt dat ook de moeder van de moeder van de moeder van Le Pen, en ook die van de vader van de moeder van Le Pen en ook die van de moeder van de vader van Le Pen en die van de vader van de vader van Le Pen volgens de definitie van Le Pen Fransen zijn geweest, en in dezelfde trant en om dezelfde reden zijn de vader van de moeder van de moeder van Le Pen, en ook die van de vader van de moeder van Le Pen en ook die van de moeder van de vader van Le Pen en die van de vader van de vader van Le Pen Fransen geweest, nog altijd volgens dezelfde definitie, die van Le Pen, waaruit we, als we de redenering doortrekken, moeiteloos en zonder hulp van Le Pen kunnen afleiden hetzij dat er een oneindig groot aantal Fransen bestaat, geboren als Fransen volgens de definitie van Le Pen, gestorven als Fransen volgens de definitie van Le Pen, en wel sinds het eerste ochtendgloren der mensheid, hetzij dat Le Pen geen Fransman is volgens de definitie van Le Pen.

Jacques Roubaud, Provençaal
[vertaling Rokus Hofstede]

(In februari 1992 verscheen bij het Collège International de Philosophie in Parijs op initiatief van dichter Michel Deguy een brochure getiteld Contre les thèses du Front National. In deze brochure geeft een twintigtal intellectuelen uiting aan hun woede en bezorgdheid over de opkomst van extreem-rechts. Van Maurice Olender verscheen een fragment van zijn artikel over het politieke gebruik van de Indo-europese prehistorie. Jacques Roubaud schreef voor deze bundel het gedicht ‘Le Pen est-il français?’, een commentaar op een van de programmapunten van het Front National, namelijk de vervanging van het ‘recht van de grond’ door het ‘recht van het bloed’. Wie in Frankrijk wordt geboren zou op grond van die maatregel niet langer automatisch recht hebben op de Franse nationaliteit. Alle naturalisaties van immigranten en hun kinderen sinds 1974 zouden bovendien met terugwerkende kracht nietig moeten worden verklaard.)

[De Groene Amsterdammer, 116:31, 29 juli 1992, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email