Pierre Bourdieu, ‘Lof van de sociologie’ (fragment)

[…] De sociologie van de wetenschappelijke wereld is absoluut onmisbaar voor sociologen maar lijkt me nauwelijks minder onontbeerlijk voor de andere wetenschappen. Wetenschapssociologie is de doeltreffendste manier om de door Gaston Bachelard (1938) bepleite ‘psychoanalyse van de wetenschappelijke geest’ in praktijk te brengen. Pas dan zijn we namelijk in staat om inzicht te krijgen in het collectief verdrongen maatschappelijke onbewuste dat ligt ingebed in de sociale logica van de wetenschappelijke wereld: in de sociale determinanten van de selectie van selectiecommissies en de evaluatiecriteria van evaluatiecommissies, in de sociale voorwaarden van de rekrutering en van het handelen van wetenschappelijke bestuurders, in de maatschappelijke machtsverhoudingen die zich manifesteren onder de dekmantel van wetenschappelijke gezagsverhoudingen en die vaak genoeg de inventiviteit en creativiteit bij jongeren afremmen of blokkeren in plaats van die te bevrijden, en in de nationale en tegenwoordig locale coöptatienetwerken, waardoor sommigen worden afgeschermd tegen de harde oordelen van de wetenschappelijke evaluatie terwijl anderen worden belemmerd in het volledige uiten van hun creatieve mogelijkheden, enzovoort.

Omdat de omstandigheden mij hier niet toestaan man en paard te noemen en ik alleen vage toespelingen kan doen, zal ik me beperken tot het citeren van een (steevast veronachtzaamde) passage uit de beroemde toespraak getiteld Wissenschaft als Beruf (1919), waarin Max Weber tegenover zijn verzamelde vakgenoten een vraag stelt die kapitaal is voor het wetenschappelijke leven maar doorgaans wordt bewaard voor privé-gesprekken: waarom selecteren universiteiten niet altijd de besten (Weber drukt zich overigens heel wat minder zachtzinnig uit)? Als een goede professional wijst hij de verleiding af om daarvoor personen verantwoordelijk te stellen, in dit geval ‘persoonlijke inferioriteit bij faculteiten en ministeries’, en suggereert hij dat de reden voor die stand van zaken moet worden gezocht in de ‘wetten van de menselijke samenwerking’, de wetten die er bijvoorbeeld bij de verkiezing van pausen of van Amerikaanse presidenten voor zorgen dat vrijwel altijd ‘kandidaat nummer twee of drie’ wordt verkozen. Hij besluit, met niet van humor gespeende realiteitszin: ‘En men moet zich niet verwonderen over het feit dat er herhaaldelijk fouten worden begaan, doch over het feit dat het aantal juiste benoemingen ondanks alles relatief toch nog heel aanzienlijk is.’ […]

[Pierre Bourdieu, ‘Lof van de sociologie. Dankrede bij de aanvaarding van de gouden medaille van het CNRS’, december 1993, vertaling Rokus Hofstede, in: Sociologie, 2012, 8:4]

Print Friendly, PDF & Email