Dankwoord Elly Jaffé-prijs 2005

‘De schrijver spreekt (…) over de juiste toon die zo moeilijk precies te treffen is, over zijn vorige boeken die nooit geheel en al geslaagd waren, want “wat gezegd is, is nooit gezegd omdat men het immers anders kan zeggen”. Heeft men iets eenmaal onder woorden gebracht, dan heeft men gekozen voor één mogelijkheid, terwijl men vele andere varianten terzijde laat liggen. Wanneer de schrijver een keuze maakt in het materiaal, begaat hij reeds een onoprechtheid en begint hij te vervalsen.’

Wat ik net voorlas is een passage uit het nawoord van dr. Elly Jaffé bij De Zoon, de allereerste, in 1966 verschenen vertaling van werk van de Franse schrijver Robert Pinget. De woorden die mevrouw Jaffé Pinget hier in de mond legt, zijn wonderwel van toepassing op de conditie van de vertaler, tenminste een vertaler zoals ik er een ben, een ziekelijke perfectionist, die ondanks momenten van genade nooit verlost is van de vrees niet opgewassen te zijn tegen de eisen van de tekst. De juiste toon is zo moeilijk te treffen, de vorige boeken zijn nooit helemaal geslaagd, want wat gezegd is, is nooit gezegd omdat men het immers anders kan zeggen. Haast altijd begin ik aan een vertaling met een keelsnoerend gebrek aan zelfvertrouwen, met de angst dat ik het nooit tot een goed einde zal weten te brengen. En ben ik eenmaal bezig, dan zucht ik over de vele varianten die ik terzijde laat liggen en voel ik me een vervalser.

Vertalen als vervalsen: het is verleidelijk om over het vertalen in metaforische termen te spreken, want een zo complexe geestesarbeid laat zich niet makkelijk eenduidig typeren. Fransen noemen vertalers graag passeurs, veerlieden, een woord dat het nobele streven suggereert literaire rijkdom te verbreiden onder de behoeftigen of onwetenden. Een nevenbetekenis van passeur is die van smokkelaar: de vertaler is ook een contrabandier van woorden, een verduisteraar van literair kapitaal, die handig de tekortkomingen van zijn eigen taal wegmoffelt, zoals het een smokkelaar betaamt.

Maar ik wil het terrein van het metaforische verlaten, met metaforen kun je alle kanten op. Niet waar vertalen op lijkt, maar wat vertalen is, daarover zou ik in dit dankwoord iets willen proberen te zeggen.

Vertalen, stelde collega Marianne Kaas twee jaar geleden bij het ontvangen van de Elly Jafféprijs, ‘is en blijft een dienend beroep’. Inderdaad, zou ik willen zeggen, maar in niet mindere mate dan andere dienende beroepen zoals acteren of musiceren. De vergelijking is allesbehalve metaforisch: het eigene van al deze zogeheten uitvoerende of reproducerende kunstvormen is dat ze de oorspronkelijke vormkracht van een kunstwerk pogen te herscheppen. Ontstaat een kunstwerk bij de gratie van een radicale subjectiviteit, dan kan het herscheppen ervan alleen geslaagd heten als het van een even grote subjectiveit getuigt. Op het gevaar af de tegenstelling op de spits te drijven en me schuldig te maken aan pedanterie: literair vertalen is in mijn ogen geen vak, maar een kunst.

Al te vaak, naar mijn smaak, verschuilen vertalers zich achter een instrumentele opvatting van hun werk, alsof dat werk geen reflectie behoeft, alsof je gewoon moet vertalen ‘wat er staat’. Maar ook voor de vertalerij is reflectie onmisbaar: een vertaler moet zijn eigen normen, vormen en vooronderstellingen steeds blijven onderzoeken op hun bruikbaarheid en toetsen aan het werk dat hij op stapel zet. Strikt genomen vertaalt niemand ooit ‘wat er staat’, om de doodeenvoudige reden dat er voor elke zin altijd een groot aantal concurrerende vertalingen mogelijk zijn, die als een boemerang hun weerslag hebben op het origineel. Elke goede vertaling bevat een impliciet leesvoorstel: ‘Kijk, dit staat er.’ Vertalen, met andere woorden, is een vak, maar het vergt evenzeer muzische gaven als technisch vernuft, evenzeer bevlogenheid als vakkundigheid. Vertalen is geen veredelde vorm van puzzels oplossen of vakken vullen. Pas als vertalen als kunstvorm wordt beschouwd, zal de artistieke en culturele betekenis ervan de aandacht krijgen die ze verdient. Pas dan zullen vertalingen worden gewaardeerd voor wat ze zijn: uitvoeringen, die de lezer van hun juistheid willen overtuigen.

Dat ik vertalen eerder als een artistieke discipline dan als een vak ervaar, zal wel iets te maken hebben met het feit dat ik een autodidact ben. Ik afficheer mezelf maar al te graag als dilettant, iemand die zich louter uit liefhebberij aan de vertaalkunst wijdt, wat voor een deel pose is, want ik profiteer natuurlijk wel ten volle van de professionalisering die is bevochten door de generatie vertalers die aan mij voorafgaat, en die het me mogelijk maakt me vrijwel exclusief aan het vertalen te wijden – ook het bestaan van deze prijs is van die professionalisering een uiting.

Literatuur, en dan vooral poëzie, was voor mij, zoals voor veel anderen, een jeugdzonde, en als zodanig zwoer ik die omstreeks het eind van mijn adolescentie af. Het moment herinner ik me nog goed: het was ergens aan het begin van de jaren ’80, toen ik in de bibliotheek van het Groningse Sociologisch Instituut de Esquisse d’une théorie de la pratique van Pierre Bourdieu aan het lezen was. Bourdieu beschreef schrijvers daarin als petits producteurs de mythologies privés. Een tijdlang meende ik dat ik me dankzij het soevereine standpunt van de sociologie kon verheffen boven het private tijdverdrijf van de literatuur. Via de omweg van de sociale wetenschap – eigenlijk is de laureaat van vandaag een gesjeesde ‘antropoloog van de industriële samenleving’ – en een paar halfhartige pogingen tot het bedrijven van journalistiek, ben ik weer bij de literatuur uitgekomen. En nu, mag ik hopen, voorgoed.

Dat de jury juist Ik ben geboren van Georges Perec heeft willen bekronen, stemt mij gelukkig. Dat woord gebruik ik niet zomaar. Ik ben geboren is zonder meer mijn gelukkigste vertaalproject geweest. Vertalen voor de reeks Privé-domein van De Arbeiderspers was al een geluk; vanaf het eerste idee voor de bundel tot en met de definitieve samenstelling ervan kreeg ik bovendien van Peter Nijssen, mijn immer welwillende redacteur bij de AP, volledig de vrije hand. Gelukkig werd ik door Perecs halfzus, Ela Bienenfeld, en diverse eminente Perecologen, vriendelijk op de vingers gekeken, zodat een aantal minder geslaagde suggesties mijnerzijds het niet hebben gehaald. Nog een geluk: het Fonds voor de Letteren stelde me in staat zonder al te veel geld- of gewetensnood ruim de tijd te nemen, en dat is, wat Gerrit Komrij daar ook over moge beweren, nog steeds de beste garantie voor vertaalkwaliteit.

Maar de eerste en voornaamste reden van mijn vertaalgeluk was Perec zelf. Van Ik ben geboren staat me de blijmoedigheid bij waarmee ik eraan gewerkt heb. Perec schrijft tonische teksten, hij schrijft voor wie weigert te wanhopen aan de wereld of aan zichzelf, hoeveel goede redenen daartoe ook mogen zijn. Grote gevoelens, grote woorden worden behoedzaam op afstand gehouden, tussen de klippen van gemeenplaatsen wordt kundig gelaveerd. Bij alle mogelijke zwaarte van de thematiek is zijn toon steevast licht. Perec is spits en slim, en geeft je als lezer en a fortiori als vertaler het gevoel dat je dat ook zelf bent.

‘Visie en precisie’, sprak de jury. Misschien, maar u hebt vast ook begrepen dat ik níet uitblink in bescheidenheid, een eigenschap die vertalers statutair pleegt toe te komen. Ik hoop dan ook dat u mij van de weeromstuit niet van onoprechtheid zult verdenken als ik zeg dat het me niet lukt mezelf deze zeer eervolle prijs, en de grofstoffelijke chèque die eraan vastzit, als een ‘verdienste’ aan te rekenen. Voor mij blijft de Elly Jaffé prijs een geschenk uit de hemel, de hemel waarin zich mevrouw Jaffé bevindt – iets buitensporigs, fabelachtigs en onwerkelijks, quelque chose d’énorme.

Als vertaler ben ik een radertje in de machine die literaire meerwaarde creëert. Vandaag word ik eruit gelicht en in het zonnetje gezet, morgen keer ik terug naar het betrekkelijk roemloze leven in mijn boekenhol. Maar nu wil ik de dag plukken, mijn dank uitspreken en hulde brengen aan allen die een aandeel hebben gehad in de totstandkoming van mijn vertalingen en medeverantwoordelijk zijn voor het geluk dat me ten deel valt. […]